
HOOFDSTUK 2
Arnould reed samen met de
overige Zeeuwse legers terug naar het Kasteel van Costyn, Jan, Hendrik en hun
vader, op het eiland Schouwen. De Zeeuwse edelen hadden afscheid genomen van
hun Vlaamse en Engelse bondgenoten Costyn kwam naast hem rijden, en riep, 'Hoe
is het met luitenant de Cupere.' 'Ha,' riep Arnould, 'ik heb zin in een warm
bad en een lekkere strozak.'
'Nou dat staat in ons huis voor
je klaar,' riep Costyn.
'Ik ben ook benieuwd naar je zuster Ida, ze zal wel groot geworden zijn. Als
kinderen speelden we altijd met elkaar.'
'Ja ja,' zei Costyn, 'jij ziet wel wat in mijn kleine zusje he, ik zal thuis
eens een goed woordje voor je doen misschien worden we nog wel familie.'
Arnould begon te blozen.

Na drie dagen kwamen ze aan op
de landerijen van Renesse, de Legers werden ontbonden en allen op enkele
huurlingen en soldaten na gingen zij weer huiswaarts. De boeren naar hun
boerderij, de handwerkslieden naar de steden en dorpen de buitenlui naar hun
molens en zagerijen en steengroeven. De soldaten werden aangehouden voor
bescherming van de kastelen en landerijen. Ook als de boeren werden bedreigd of
aangevallen konden zij rekenen op bescherming van de leenheer. Het dagelijkse
leven begon weer.
Ook namen Costyn, Hendrik, Jan,
Costyn sr. en Arnould afscheid van Wolfert en zijn vader Hendrik van Borssele
en de andere edelen die naar hun eigen kasteel gingen, en reden zij richting
Moermond het kasteel van Renesse.
![]()
Vanuit het kasteel klonk het
klaroengeschal, en werd er geroepen, 'hoera, heer Costyn sr., ridder Jan, Hendrik
en Costyn en zijn vriend ridder Arnould, komen aanrijden en ze zijn ongedeerd.'
De kasteelvrouwen maakten blij hun opwachting voor de begroeting, ook de zuster
van Jan en Costyn, Ida van Renesse had zich mooi gemaakt. Ze wist dat haar
jeugdvriendje Arnould meekwam om te overnachten voor hij zijn reis naar Voorne
voortzette.
Inmiddels was Ida een mooie
jonge vrouw van zeventien jaar, die altijd een zwak had gehad voor Arnould.
Haar moeder had ook al eens langs haar neus weg laten weten dat Arnould een
goede huwelijkspartner zou zijn. Voor wie liet zij in het midden, maar Ida wist
dat ze haarzelf bedoelde.
De poorten werden geopend en de
ophaalbrug werd neer gelaten. De Paarden stormden briesend naar binnen en
hielden op het binnenplein bruusk stil.
De mannen stapten met gekletter
van hun maliën en wapens af, en begroetten de vrouwen. Arnould begroette eerst
de moeder van Jan, daarna ging zijn aandacht naar jonkvrouwe Ida met haar twee
onafscheidelijke wolfshonden die haar tegen alles en iedereen beschermden. 'Je
bent een mooie vrouw geworden,' zei Arnould tegen Ida, 'een echte jonkvrouwe.'
Ida begon te blozen Ze zei terwijl ze haar best deed de honden in toom te
houden; 'Heer Arnould ik ben verheugd u weer gezond terug te zien. Het is lang
geleden dat wij elkaar hebben gesproken.

Mag ik u uitnodigen vanavond
naast mij aan tafel plaats te nemen als mijn tafelheer.' Nu was het de
beurt aan Arnould om te blozen. Een beetje hakkelend zei hij, 'ik voel me zeer
vereerd.' Jan kwam op zijn zuster Ida aflopen, en riep, 'hallo zusje, wat een
vent is Arnould geworden hé,' en hij begon de loftrompet over Arnould's daden
en die van Costyn in de veldslag te blazen.
Hierna wees Costyn de
slaapkamer van Arnould, ook kreeg hij een bediende toegewezen die voor hem een
warm bad maakte. In de avond toen iedereen aanzat voor het avondmaal vroeg de
kasteelvrouwe enkele ogenblikken stilte om Arnould zijn broer Boudewijn te
gedenken. Hierna begon een feestelijk maal om de behouden thuiskomst van de
rest te vieren. Arnould, Jan en Costyn werden gefeliciteerd met hun benoemingen
en hun moedige optreden in de strijd.
Ida vroeg Arnould wat later op
de avond wat zijn plannen waren voor de toekomst, 'tja' zei, Arnould, 'veel
familie heb ik niet meer. Diederik kan voor zichzelf en mijn zuster Dorothea
zorgen. Ik kan als huurling gaan vechten in het land, ik kan mezelf ook
vestigen op Vliethof wat ik met de strijd heb verdiend.'
'Als je gaat vestigen,' zei
Ida, 'dan heb je een kasteelvrouw nodig om de huishouding te regelen.'
'Ja,' zei Arnould, ' daar heb
je wel gelijk in. Die heb ik niet.'
'Mijn moeder heeft me verteld
dat ze mij graag aan jou zou willen uithuwelijken.'
'O ja,' zei Arnould ? 'Zou jij
misschien.'...... Het werd stil.
Ida vroeg, 'ja, wat zou ik
misschien' ?
'Uhh, brp. Uhh, mijn vrouw
willen worden.' Ida vloog Arnould om zijn nek, haar honden sprongen op en
begonnen heftig te blaffen. Ze Kuste en kuste en kuste hem, en zei, 'dat wil ik
dolgraag. Laten we het mijn moeder gaan vertellen.' Arnould antwoordde; 'Dat
wil ik wel doen, maar dat kun jij beter alleen doen. Ik moet volgens het
protocol eerst je vader om je hand vragen.'
'Oke' zei Ida, 'ik vertel het
mijn moeder, dan kun jij morgen aan mijn vader om mijn hand vragen.' Ze
knuffelden nog een tijdje door , waarna Ida, met haar honden in het gevolg,
haar moeder ging opzoeken. Arnould ging zijn vriend Costyn opzoeken.

Hij vond hem bij de
kasteelmonnik, chemicus, magiër en schrijver Swer-Almus. Hij was tevens
ingewijde van de geheime Johannieter orde die hun basis op Rhodos en Malta
hebben. Dit was een kloosterorde van monniken die zieken en gewonden verzorgden
en die magie en scheikunde gezamenlijk beoefende wat dan weer alchemie heette.
De christelijke kerk had dat verboden, maar omdat deze orde zeer nuttig was
voor de kerk en kruistochten werd oogluikend vergeven. Aan de orde namen ook
ridders deel, - Maltezer ridders-
zegel der Grootmeesters Johannieters

Deze Joanieter orde was de
tegenhanger van de orde der Tempelieren uit Jeruzalem, die begin 1300 door de
Franse Koning Filips IV en de paus werden vervolgd wegens hun enorme
rijkdommen. De tempelieren deden eigenlijk exact hetzelfde, hun ridders
beschermden pelgrims, maar gingen al te geheimzinnig om in hun orde, waardoor
er over hen de wildste verhalen rondgingen. De koning en de paus maakte hiervan
gebruik om hen te kunnen vervolgen wegens Godslastering wat uitmondde in
martelingen en verbranding van vele van hen en hun Grootmeester Jaquces de
Molay. Meerdere malen komen deze ridders zijdelings voor in dit verhaal. De
grote schatten van de tempelridders zijn tot op heden nog steeds niet gevonden.
Schatzoekers vermoeden dat deze ergens in de Pyreneeën liggen te wachten op de
vinder.

'Hé Costyn, je lijkt mijn broer
Diederik wel. Heb je ook interesse in de alchemie?'
'Ja Arnould, de wetenschap
staat niet stil. Ik leer van Swer-Almus chemische verbindingen die je mogelijk
in de strijd van pas kunnen komen.' Swer-Almus vroeg; 'Hoe het met zijn
vroegere leerling Diederik gaat, en of Arnould een geschrift en kruikjes met
chemische stoffen voor hem wilde meenemen naar zijn huis.'
![]()
Dat wilde Arnould wel, en
antwoordde; 'Het laatste wat ik van Diederik heb gehoord was dat alles goed
ging. Ik zal hem ook uw groeten overbrengen als ik de goederen ga afgeven.' Hij
liet zijn kruisboog zien aan Swer-Almus, 'dit is zijn laatste vinding. Het
heeft de Engelse commandant Thierry de Clifort het leven gered.'
'Zeer interessant,' zei
Swer-Almus, 'het zit goed doordacht in elkaar. Ik had al vroeg gezien dat
Diederik veel talent had.' 'Ik kom eigenlijk vertellen dat ik binnenkort ga
trouwen.' 'Gefeliciteerd' zei Swer-Almus 'en welke schone dame is de gelukkige'
? 'Ik denk dat ik dat wel weet,' riep Costyn uitgelaten.
'Ik heb Costyn zijn zuster jonkvrouwe Ida ten huwelijk gevraagd. Ik had gehoopt
dat u heer Swer-Almus ons huwelijk zou willen inzegenen als huispater.'
'Dat wil ik graag doen Arnould, ik zie al uit naar de feestelijke dag.'
'Morgen vraag ik de vader om Ida haar hand.'
'Toch nog familie,' zei Costyn, en proosten met zijn beker wijn.
De volgende dag vroeg Arnould
om een audiëntie bij de kasteelheer, die natuurlijk al van Ida en zijn vrouw
gehoord had wat Arnould zijn vraag zou zijn. Hij was blij met de keuze van zijn
dochter. Arnould was een graag geziene jongen, nu dus man in zijn huis.
'Dag Arnould' zei hij, 'wat
wilde je me vragen' ?
'Ik wilde graag met uw dochter trouwen' stamelde Arnould.
'Zo, wil je dat ? en wat kan je haar dan bieden' ?
'Nou, zoals u weet, heb ik wegens de veldslag het huis en gebied rond Vliethof
van de Graaf van Vlaanderen in leen ontvangen. Ik wilde het huis versterken en
laten verbouwen tot een klein kasteel en ons daar vestigen als kasteelheer en
vrouw. Het kasteel van mijn broer Boudewijn laat ik graag aan mijn andere broer
Diederik en mijn zuster Dorothea.'
'Dat zijn nobele plannen, ik denk dat, indien Ida en haar moeder het er
ook mee eens zijn, ik ermee instem.'
'Dank u heer voor uw vertrouwen
in mij,' zei Arnould.
'Gefeliciteerd Arnould. Jij wordt nu mijn vierde zoon.' Ida kwam
binnenrennen en vloog eerst haar vader en vervolgens Arnould om de nek. Zij was
dolgelukkig. De verloving werd gevierd met smakelijk eten en heerlijke wijn en
bier. De huwelijksdatum werd ook al vastgesteld.
![]()
De volgende dag vertrok Arnould
met vijftien soldaten naar Vliethof. Hij had van iedereen afscheid genomen, in
het bijzonder van jonkvrouwe Ida, en had haar beloofd om over een maand haar
weer te bezoeken. Dit lijkt natuurlijk lang, maar je moet wel bedenken dat
reizen in de vroege middeleeuwen een tijdrovende bezigheid was. Zo kon een
gemiddelde leenheer alleen op zijn eigen landerijen soms wel vier tot vijf
dagen reizen om dit te kunnen overzien.
Aangekomen in
Vliethof, - ook dit gebied viel in het district van de heren van Voorne - liet Arnould
aan zijn landsgrenzen het Wapen de Cupere aanbrengen, ten teken dat bezoekers
op zijn gebied waren, en dat kwaadwilligen zich maar even moesten bedenken voor
zij gemene plannen smeden.
In de plaatselijke kerk stelde hij zich voor als de nieuwe leenheer en gaf zijn
geloofsbrieven van de Graaf van Vlaanderen af aan de plaatselijke prior.
In die periode liepen inschrijving en optekening van eigendomsrechten via de
Roomse Kerk en waren de mensen ook heel erg gelovig. Ook het feit dat eigenlijk
hoofdzakelijk de kerkvorsten en edelen konden lezen en schrijven was er de
reden van. Ook hielden de paters geboorteakten bij van edelen en tekenden zij
huwelijken en andere gebeurtenissen op. De Kerk bewaarde alle gegevens uit die
tijden. Soms werd er wel eens een kerk verwoest door rovers, of brand en andere
natuurrampen. Dan gingen de gegevens jammerlijk verloren.
De prior die Arnould zijn
geloofsbrieven in ontvangst nam, waarschuwde hem voor enkele hereboeren, die
niet zo blij zouden zijn met zijn komst.
Arnould zei; 'Zij die te goeder trouw waren hadden van hem niets te vrezen
hadden, maar wee hen ongelukkige die kwaadwillend waren.'

Inmiddels waren de soldaten van
Arnould, de grens schilden op de bomen aan timmeren. Zij zagen twee ruiters en
wat voetvolk op hen afkomen. De sergeant Guyt genaamd, riep zijn mannen bijeen.
'Er komt daar een groep mannen
aan, en ik geloof niet dat die veel goeds in de zin hebben. We gaan te paard
maar laten onze wapens nog even rusten.' De groep kwam tegenover de soldaten
van Arnould te staan. 'Ik ben Jan van dirken,' riep een vadsige man op paard. 'Dit
is mijn land en ik wil dat jullie ervan af gaan.'
'Dat zal niet gaan,' zei
sergeant Guyt, 'wij hangen hier in opdracht van onze heer luitenant en ridder
Arnould de Cupere grensschilden aan van zijn gebied. Indien u zijn rechten wilt
betwisten zult u hem, en de heren van Voorne, daarvoor moeten aanspreken.'
'Ik heb niets te maken met jullie luitenant,' zei Jan van Dirken. 'Onze familie
woont al jaren op dit land en heeft het ons eigendom gemaakt. Mannen val dat
soldatengespuis aan.'
Sergeant Guyt had wel vaker met
onwillige hereboeren te maken gehad, en deze reactie voorzien. Nochtans was de
overmacht van de aanvallende partij te groot. Hoe hij en zijn mannen ook zijn
wapens hanteerde er kwamen steeds drie man tegelijk op hen af. Guyt riep tegen
zijn mannen; 'Terugtrekken ze zijn te sterk in het voordeel.'
De paarden schopten wild om
zich heen, en keerden om. Een paard stortte hierbij tegen de grond en zijn
berijder werd overvallen en bruut vermoord. Toen Sergeant Guyt weer bij de
kerk aankwam ontstak Arnould in woede. Niet eens om de twist, maar omdat ze de
soldaat koelbloedig en kansloos hadden vermoord.
'Ze hadden hem toch ook gevangen kunnen nemen.' Arnould vroeg aan de pater,
'wat is dat voor een man die Jan van Dirken?'
'Dit is een van de hereboeren
waarvoor ik u al wilde waarschuwen. Eigengereid en bang hun macht te moeten
opgeven. Hij zit trouwens in uw kasteel twee kilometer naar het oosten
verschanst met 3 vazallen.'
Arnould, zei tegen zijn
soldaten, 'mannen we gaan het terrein verkennen waar die moordenaars zich
verschanst houden. Pater, wilt u een boodschapper sturen naar mijn broer in
Rockanje, om versterkingen te zenden?' Arnould trok zijn maliënkolder en
bewapening aan, en zijn soldaten deden hetzelfde.

De groep van vijftien ruiters
reed met hoge snelheid richting het oosten alwaar het kasteel na een half uur
in zicht kwam. Zij kwamen weer een groepje voetvolk en een ruiter tegen.
Arnould stelde zich voor als
eigenaar van dit gebied en vroeg de ruiter: 'Wie bent u, en wat doet u op mijn
gebieden met gewapend volk.' De man verbleekte hij wist dat ondanks hij een
kleine overmacht van manschappen had, deze strijd een verloren zaak was
tegenover de geoefende ridder en zijn soldaten. Hij begon te liegen, 'Heer, ik
ben Free de Boer een hereboer op uw land, ik heb gehoord dat Jan van Dirken uw
eigendomsrechten bestrijd, ik wilde met deze mannen mij bij u aansluiten.'
'Waar bevind uw boerderij
zich,' vroeg Arnould, 'waar woont u?'
Free de Boer stamelde, 'daar achter heer.'
'Ik geloof u niet,' antwoordde Arnould, 'ik heb gehoord dat u zich samen met
Jan van Dirken in dat kasteel daar achter verschanst.'
Free trok een mes en wilde naar
Arnould werpen. Deze had echter zijn kruisboog al schietklaar tegen zijn paard
aangehouden en hij schoot Free in zijn arm met het mes in de hand. Brullend
liet Free het mes vallen.
Arnould zei tegen hem, 'trek uw zwaard en vecht als een man voor u gaat sterven.'
Arnould gaf zijn paard de sporen en met een behendige Zwaardhouw onthoofde hij
Free. Het voetvolk gaf zich onmiddellijk over en begon om genade te schreeuwen.
'Genade heer wij zijn maar gedwongen boeren en werklui.'
Arnould riep hen
toe: 'Als leenheer op deze landerijen ben ik uw heer en meester en Baljuw -
rechter - . Eenieder die zich heeft schuldig gemaakt aan vrijwillig volgen van deze
zwarte ridders zal na diepgaand onderzoek vervolgd worden zij die onder dwang
deze vazallen hebben gevolgd hebben niets te vrezen.' Het voetvolk zweerde
massaal trouw, en Arnould ging samen met sergeant Guyt het terrein rond het
kasteel onderzoeken.
.
Arnould zag dat het kasteel
zeer slecht verdedigd was, niet met betrekking tot manschappen maar meer met de
toevoer van goederen en drinkwater. De water voorziening was namelijk geregeld
via een stromend heldere ondiepe beek wat rond de kasteelmuur omliep.
'Als we die beek aan twee
zijden afdammen,' zei hij tegen sergeant Guyt, 'dan zullen ze daarbinnen snel
zonder vers water komen. Door de dorst komen ze van zelf naar buiten.'
De sergeant begreep meteen wat
Arnould zijn idee was. 'Als we dat stel voetvolk nog wat banger maken dan gaan
ze wel voor ons aan het werk,' zei de sergeant. Zo gezegd zo gedaan. Zij gingen
terug naar de manschappen en ze brachten het voetvolk tot buiten pijlschots
afstand van het kasteel en zette hen aan het werk.
Arnould zette zijn helm op
hield zijn schild met wapentekens duidelijk zichtbaar voor zich en pakte het
hoofd van Free aan zijn haren op. Het bloed droop er uit. Arnould reed tot vlak
voor de kasteelmuren en spietste het hoofd op een speer. Hij riep: 'Jan van
Dirken en vazal moordenaars.
Ik ben ridder Arnould de
Cupere, luitenant in dienst van de Graaf van Vlaanderen. Leenheer van de
gebieden rond Vliethof onder de Heren van Voorne, en uw baljuw. U kunt nu naar
buiten komen en uw straf en strafmaat na onderzoek ondergaan, indien u dit
weigert zult u hetzelfde lot ondergaan, als uw vazal Free de Boer. Ik heb
jullie watervoorziening inmiddels geblokkeerd. Over enkele uren zal ik het laatste
waar jullie over beschikken vergiftigen met rottende karkassen uit het bos.'
Heenvliet
Binnen de kasteelmuren maakte
angst zich meester op afstand zagen ze diverse mannen aan het graven en voor de
poort die dreigende ridder en het afgehakte hoofd. Niemand binnen de
kasteelmuren wist met hoeveel de belegeraars waren. Hun enige contact met
buiten was van Free en die was daar opgespietst.
Veel mannen waren niet binnen,
de boeren die als voetvolk dienden moesten afwisselend dienstdoend als
voetsoldaten en werken op hun boerderij.
Zij werden gedwongen onder
doodsbedreigingen van de hereboeren hen te volgen. Ook Jan van Dirken wist dat
als het op vechten aan zou komen hij niet meer op de boeren kon rekenen. De
boeren zouden hun kans waarnemen en massaal overlopen. Hij had ze lekker kunnen
uitknijpen en misbruiken.
Hij zou samen met de twee
andere hereboeren en enkele betaalde huurlingen, - als die tenminste ook niet
vluchten - alleen staan. Met drie tegen de ridder zou misschien nog wel gaan,
maar de ridder had ook soldaten en dat werd te sterk. Ook wist hij niet hoeveel
soldaten en voetvolk er bij de ridder waren. De andere hereboeren zagen ook hun
uitzichtloze situatie in.
'Stomme runderkop,' Zeiden ze
tegen Jan van Dirken, 'Waarom moest je nu gelijk die soldaat vermoorden. Je kon
toch weten dat zoiets moeilijkheden ging geven.'
'Dit land is van mij,' brieste Jan van Dirken, 'niemand waagt het om het mij af
te pakken.'
'Gaat dat dan maar buiten tegen
die ridder vertellen,' briesten de andere twee terug. Woest schonk Jan zich een
beker bier in, 'we moeten een plan bedenken om hier heelhuids uit te komen,'
zei hij. 'Kunnen jullie misschien zoiets bedenken in plaats van verwijten te
komen maken. Jullie kop zit net zo los als vast op je romp als de mijne
hoor.!'!
'Oké, rustig ,' zei Gerrit de Brabander de kleinste van de drie. 'Als we hier
ruzie gaan maken dan zijn we verloren.' Ook hij schonk voor zichzelf en de
derde hereboer Pieter van Ostade een kroes bier in. 'Met ons allen kunnen we
die luitenant en zijn soldaten toch wel pakken?' vroeg Gerrit zich af.
'Goed,' zei Jan van Dirken, 'wat hebben we. Wij zijn met drie, we hebben vijf
man waarop we misschien kunnen bouwen, en dan dat stel boeren en werklui, maar
die lopen als ze de kans krijgen direct weg.'
'Allen die ridder pakt er al vier van ons,' zei Pieter van Ostade, 'Free die
was toch niet voor een kleintje vervaard, maar hangt daar nu wel opgespietst.'
'Ja,' zei Jan, 'onze vijf huurlingen zullen inmiddels ook wel tot deze
conclusie zijn gekomen. Ik hoop trouwen dat ze die boeren nog onder de duim
houden.'
![]()
Inmiddels waren de boeren en
buitenlui ook hun kansen aan het bekijken. Ze mochten van de huurlingen niet
samengeschoold staan maar verspreid over de kasteelwallen. Toch konden ze nog
enigszins van man tot man fluisteren . Jan de Molenaar, en Todt de steenhouwer fluisterden
naar elkaar; 'Wat kunnen we doen ? Als we niet naar buiten gaan hakt de ridder
ons kop eraf. Als we naar buiten gaan doen die vuile schurken het. Als we niets
doen gaan we langzaam dood aan vergif.'
Todt zei, 'toch is dit onze
kans om met ons gezin heelhuids onder het juk van dat boeren gespuis af te
komen. Vroeger was het onder de leenheren ook niet alles, maar je werd
tenminste beschermd. Deze kerels willen alles van je. Je oogst, je leven, en
dat je voor ze moord. Als je het niet doet wordt jezelf en je gezin vermoord.
Als je kans ziet te vluchten worden je huis en bezittingen verbrand.'
'We moeten proberen nu allemaal
op een lijn te komen en met z'n allen naar buiten te vluchten. We moeten het
touw van de ophaalbrug kappen en ons achter de leenheer scharen.'
'Zeg het zachtjes man voor man voort.'" Muiterij".
Arnould had inmiddels een
lekker Maaltje bij elkaar gejaagd en braadde het boven het kampvuur. Onder het
eten hielden de mannen krijgsberaad. Sergeant Guyt had van de boeren en
buitenlui een schatting ontvangen van hoe de situatie in het kasteel was en dat
alle werklui onder dwang aan de smerige spelletjes van de hereboeren moesten
meewerken. Ook de prior was met enkele dorpsgenoten gekomen om eventuele
bijstand te verlenen En hen te zegenen voor de Strijd. Arnould was zeer
gelovig.

Zijn grootvader was onder
Richard Leeuwenhart de zoon van de Engelse Koning Hendrik II, tijdens de derde
kruistochten gesneuveld. Ook Arnould zijn vader had in het heilige land
gevochten, maar leefde nu als monnik in een klooster. Ridders gaan namelijk in
tegen het zesde gebod, gij zult niet doden. Indien zij dus naast het gevecht
veel bidden en godvruchtig leven, hopen zij alsnog in de hemel te komen.
Rijkere ridders schonken om die reden ook veel kostbaarheden aan de kerk. Dit
heette de tienden belasting. Hiermee kon je aflaten kopen
Vandaar ook de kruistochten.
Vele ridders gingen op pelgrimstochten naar het heilige land. Daar echter
werden ze steeds vaker overvallen door moslims toen Moren genoemd. Om dit te
voorkomen werd Jeruzalem, Rhodos en Malta veroverd, en waren de orden der
Joanieters opgericht met verzorgende taak en de Tempeliers met een beschermende
taak.

Plots werd het gezelschap
opgeschrikt door het gerommel van aanstormende paarden. In de verte werd een
stofwolk zichtbaar, en het geluid werd steeds angstaanjagender.
Arnould en zijn mannen sprongen op hun paard, wat de beste manier was van
verdedigen, de pater, dorpelingen en werklui verschansten zich achter de bomen.
Toen de groep van geschat 30 ruiters dichterbij kwam, herkende Arnould het
banier van Thierry de Clifort.

Arnould schoof zijn helm open
en begroette zijn nieuwe vriend. 'Thierry mijn overzeese vriend, wat doe jij
hier nu?'
'Hallo Arnould, dat is eigenlijk niet zo snel verteld, maar zo te zien heb je
wel even tijd voor een verhaal.'
'Mannen,' riep Thierry tegen
zijn gevolg, 'zet de tenten op en breng een vat wijn. Dat zal wel smaken bij
dat heerlijke gebraad.' Thierry vertelde dat zijn schip averij had opgelopen en
nu in de haven van Hellevoetsluis werd gerepareerd. Daar zag hij een man lopen
die dringend met een boot naar Rockanje moest. Naar het kasteel van familie de
Cupere. Ik vroeg hem of ik hem kon helpen en dat Arnould de Cupere mijn vriend
was. Zo vertelde de man welke avonturen jij hier alweer beleefde en trommelde
ik mijn manschappen uit de tavernen, hebben bij de plaatselijke smid wat
paarden geronseld en hier zijn we.
'En hoe is de situatie hier,'
vroeg Thierry ? 'Met jullie als hulp een stuk rooskleuriger.' Arnould vertelde.
Ook binnen de kasteelmuren was
de ruiterhorde hen niet ontgaan. Jan van Dirken waggelde met zijn vadsige lijf
moeizaam de kantelen op en bekeek het schouwspel. Ook de huurlingen en andere
hereboeren waren op de kantelen geklommen. 'Allemachtig, onze uren zijn geteld.
Wat een overmacht.' 'We zijn er geweest,' riep een ander. 'Wij moeten ons
overgeven,' riep weer een ander. 'Ben je gek geworden ze slaan gelijk je kop
van je romp,' riep Jan van Dirken.
De boeren en buitenlui, zagen nu hun kans.

'Nu,' riep Todt de steenhouwer.
Alle boeren en werklui sprongen van de kantelen. Todt sloeg met zijn bijl het
touw van de ophaalbrug doormidden en deze stortte met donderend geraas naar
beneden. Jan de Molenaar riep de anderen toe, 'ren voor je leven,' en ze renden
via de ophaalbrug naar buiten.
'Potvr.Potvr' tierde Jan
van Dirken, 'schiet die vuile overlopers neer,' riep hij naar zijn huurlingen.
Maar deze hadden iets heel anders in gedachten. 'Doe dat zelf maar vette koe
wij geven ons gewonnen.'
'Misschien mogen we onze kop zo
nog even houden.' De huurlingen liepen naar buiten en gooiden hun wapen neer.
'Spaar ons heer,' riepen ze Arnould toe. 'Wij geven ons over.'
In het kamp van Arnould
hoorden ze het lawaai waarmee de ophaalburg van het kasteel neerstortte. 'Wat
zullen we nu hebben,' riep sergeant Guyt, 'een uitval!'! de mannen in het kamp
sprongen op hun paarden en trokken hun zwaarden uit de schede. Ze zagen de
horde mannen uit het kasteel komen rennen. Lopende mannen tegen een grote groep
geoefende ruiters.
'Dat klokt niet,' dacht Arnould
hardop. Thierry had de zelfde gedachten. Hij riep snel tegen zijn mannen;
'Wacht nog even met aanvallen. Ik geloof dat de boeren en werklui aan hun
terroristen zijn ontsnapt.' De ruiters lieten de mannen in een fuik van paarden
lopen, en zagen dat het ongewapende mannen waren.
Todt de steenhouwer, riep de
ruiters toe; 'Spaar ons, genade heren, wij zijn slecht arme en boeren en
werklieden. Wij hebben nooit kwaad in de zin gehad maar werden gedwongen.'
Arnould zei tegen sergeant Guyt, 'zet ze gevangen en houdt ze met enkele mannen
in de gaten.'
Nog even later kwamen er vijf
huurlingen uit het kasteel lopen met hun armen boven hun hoofd ten teken van de
overgave. Thierry gaf zijn luitenant de opdracht die mannen te arresteren en
uit te horen over wie zich nu nog in het kasteel bevonden. Thierry liet Arnould
weten dat alleen de drie hereboeren zich nog in het kasteel bevonden. Zij
hadden geen bondgenoten meer.
Arnould zei tegen Thierry, 'het
is onze man die de schurken hebben vermoord. Zijn makkers mogen hem wreken en
hun ter dood veroordeling ten uitvoer brengen.' Arnould riep zijn soldaten te
paard, en reed met hen de kasteelpoort tegemoet.

Jan, Gerrit en Pieter, zagen de
mannen dreigend naar de kasteelpoort rijden. Op de binnenplaats ontmoeten de
mannen elkaar.
Arnould riep de hereboeren toe;
'Jan van Dirken, Gerrit de Brabander en Pieter van Ostade, jullie hebben je
misdragen als waren jullie zwarte ridder Breunis Saunce Pité - Een ridder met
kwalijke faam -. Jullie positie als hereboer daarbij misbruikend en je
ondergeschikten `getiranniseerd. Wij zullen jullie hiervoor doden in een
gevecht, of als jullie niet vechten word je zonder meer geëxecuteerd.'
De mannen stapten van hun paarden
en liepen op de drie hereboeren af. Arnould had Jan van Dirken op de korrel.
Hij sloeg met een slag zijn zwaard uit de handen en met de volgende houw vloog
zijn kop door de lucht. De soldaten hadden Gerrit en Pieter op de knieën
gedwongen. Ook zij werden door de sergeant met de mededeling, 'Dit is voor mijn
soldaat en onze vriend,' onthoofd. Hierna wenkte Arnould, Thierry, dat de
strijd was gestreden.
Hij liet het kasteel doorzoeken
In de verblijven werden nog een aantal vrouwen en hun kinderen gevonden die in
het kasteel werkten. Een paar gevonden vaten bier, liet hij openslaan voor de
mannen die hem hadden geholpen. De vrouwen en kinderen werden ongemoeid gelaten
en bleven huisvesting van hem krijgen in ruil voor hun diensten De boeren en
buitenlui werden nadat hun naam waren genoteerd naar huis gezonden. Zij mochten
hun land en huizen betrekken onder de normale feodale voorwaarden van die tijd.
Arnould liet weten, 'ik moet in
ieder geval het kasteel voor mij en mijn toekomstige bruid wat opknappen en wij
kunnen hier wonen.' Arnould vertelde van zijn trouwplannen aan Thierry, en deze
feliciteerde hem. 'Ik geloof dat jij je wel red in dit land Arnould.'
De pater wist nog enkele
betrouwbare potige kerels om het kasteel op te knappen en zo nodig te beschermen.
Als Arnould dat wilde kon hij ze morgen nog optrommelen. De doden werden op een
kar geladen en buiten het kasteel gezet. De drinkwater voorziening werd weer
hersteld, en alle getrouwen kregen een slaapplaats in het kasteel. Thierry bood
aan enkele van zijn mannen op wacht te zetten en iedereen ging slapen.
De volgende ochtend liet
Arnould de doden tegen de grens van zijn land naast Heenvliet ondersteboven
ophangen in de bomen. Ook de hoofden van de vier werden gespietst. Dit lijkt
wreed, maar het was in die tijd een duidelijk teken tegen kwaadwilligen dat dit
je stond te gebeuren als je de leenheer wilde bevechten.
Thierry, die in Engeland ook
bij de bouw van diverse kastelen en vestingen was betrokken, had enkele tips
ter versterking van de kasteel verdediging.
In Engeland waren de kastelen
in de 13e eeuw onder de Koningen Hendrik II, zijn zoon Richard
Leeuwenhart, diens opvolger Jan, zijn zoon Hendrik III, en de huidige Koning
Eduard I Plantagenet, ook de krijgskoning genoemd, door de eeuwenlange strijd
met de Fransen uitgegroeid tot ware versterkte vestingen.
'Als je nu dat beekje welke nu
langs je kasteel loopt omleid tot een diepe brede gracht enkele meters voor de
kasteelmuren, dan heb je altijd een constante watervoorziening indien je binnen
een put slaat, de eventuele vijand kan het kasteel moeilijk belegeren met
ladders en stormrammen en zullen eerst met vlotten moeten oversteken. Die
vlotten zijn weer een gemakkelijk doelwit voor je boogschutters en vuur en
stenen.'
'Dat is een uitstekend idee,'
zei Arnould. 'Dat moeten we maar verder uitwerken.' Zo kwam het dat er weer een
stukje Engelse bouwkunst in Zeeland werd toegepast.
![]()
In de middag kwam de pater terug
met een groep werklieden. Job, een boom van een vent werd door de pater
voorgesteld als de voorman met technisch inzicht en betrouwbaar als ware het
zijn eigen zoon. Arnould stelde zichzelf aan Job, en zijn werklui voor en
vertelde in grote lijnen wat er moest gebeuren 'In het kasteel moest alles op
orde worden gebracht en de gracht moest worden gegraven. De ophaalbrug
verplaatst etc.ect.'
Job werd rentmeester en kreeg
de huisleiding en sergeant Guyt had de militaire leiding tijdens zijn
afwezigheid. Arnould vroeg Guyt, 'kun je het redden met dertien soldaten?'
Waarop de sergeant antwoordde, 'ik heb zeventien stevige kerels erbij, als ik
die iedere dag een uurtje exerceer dan heb ik dertig soldaten. Zolang er geen
heel leger komt zal het dus wel lukken. De wapens van die schurken kunnen hier
mooi hun diensten bewijzen.'
'Ik had ook niets anders van je verwacht sergeant,' lachte Arnould.

De volgende dag vertrokken Arnould, Thierry en zijn manschappen naar
Hellevoetsluis.
De reis verliep spoedig en in de haven zag Thierry zijn schip liggen. De
meester timmerman vertelde Thierry dat de laatste hand aan het schip werd gelegd,
en dat hij met het tij kon uitvaren.
Thierry zei tegen Arnould, 'als je wilt kan ik je bij Den Briel afzetten waarna
ik doorvaar naar Engeland.'

'Dat aanbod neem ik graag aan.
Je mag me dan met een sloep aan land zetten.' De soldaten brachten de gehuurde
paarden terug naar de smidse en betaalden de smid. Hierna zorgden ze voor vers
drinkwater en fruit overig proviand was nog voldoende aan boord van het schip.
Het schip voer met het tij richting Brielle en de twee vrienden namen afscheid
van elkaar.
'Als ik in de gelegenheid ben
kom ik op je bruiloft,' riep Thierry hem toe, toen Arnould met zijn paard in
een grote sloep aan land werd gezet. 'Altijd welkom,' riep Arnould terug.
Vanaf de kade van Brielle keek Arnould het schip na welke langzaam aan de
horizon als een stipje verdween. 'Zo mijn trouwe viervoeter we zijn weer op
elkaar aangewezen. Nu richting huis.' Arnould zag de contouren van zijn ouderlijk
kasteel in de verte opdoemen nabij Rockanje op het eiland Voorne. Vanuit het
kasteel hoorde hij klaroengeschal ten teken van naderde mensen.
![]()
Hij zag zijn broer op de
kasteelwal staan en zwaaide. Diederik had hem al aan zijn blazoen met wapen
kenmerken herkend. Het wapen de Cupere, een schitterend ontwerp van zijn
voorvaderen., wat altijd met eer en trots werd gevoerd door de familie. De
poort zwaaide open en Arnould reed naar binnen. Zijn zuster Dorothea had haar
opwachting gemaakt op de binnenplaats.
'Welkom,' zei ze tegen Arnould.
'Ik ben blij dat je weer veilig thuis bent.' Dorothea en Diederik waren al
direct na de slag bij Duinkerken op de hoogte gebracht van het sneuvelen hun
broer Boudewijn.
De poorten sloten zich weer, en
Diederik kwam ook zijn broer omhelzen. Gedrieën liepen zij naar de grote zaal.
'Ik heb Boudewijn nabij Duinkerken laten begraven, en de plaatselijke
steenhouwer opdracht gegeven een mooie grafsteen met zijn wapen te maken. Hij
is gesneuveld op een manier waar iedere ridder trots op kan zijn eervol op het
slagveld. Hij is postuum bevorderd tot veldmaarschalk van Vlaanderen.' Zij
hieven hun bekers met wijn, en brachten een toost uit op hun gesneuvelde broer
en familie oudste.
'Zo Arnould,' vroeg Diederik,
'en wat zijn je verdere plannen met een veelbelovende blik.' Hij had inmiddels
ook al geruchten gehoord over zijn broers trouwplannen. Arnould liet hen weten,
dat hij Ida van Renesse, had gevraagd om met hem te trouwen en dat ook haar
vader toestemming had gegeven.
'Gefeliciteerd' riep Dorothea uitgelaten en omhelsde hem, ook Diederik wenste
hem met een stevige handdruk en schouderklop veel succes toe. 'En wanneer
kunnen we het feest verwachten,' vroeg Dorothea ?
'Dat zal over vijftien maanden zijn. Ik heb Ida beloofd een kasteel te laten
bouwen, maar dat heb ik op mijn landerijen van Vliethof al buitgemaakt.'
Arnould vertelde het hele verhaal.
'Ik heb voor Diederik nog
enkele brieven en brouwseltjes van Swer-Almus meegenomen.'
'Hoe gaat het met mijn vrienden Jan van Renesse en Wolfert van Borssele?' vroeg
Diederik. 'Het zit volgens mij niet zo lekker tussen die twee. Ze proberen
elkaar een beetje de loef af te steken het zijn beiden strebers.'

'Het zal mij niet verbazen,'
dacht Diederik hardop, 'dat Jan van Renesse, en Wolfert van Borssele, rivalen
worden in de strijd om hun politieke invloed en macht te doen gelden.'
'Tja,' zei Arnould. 'Politiek
ligt bij hen beter dan mij. Ik ben soldaat en daar houd ik het bij. Ik neem
voorlopig even een weekje rust en ga lekker met mijn broer jagen. Over twee
weken zie ik Ida weer, en zal ik Costyn eens vragen naar zijn toekomstplannen.
Daarbij kan ik ook Jan van Renesse wel gaan bezoeken en horen wat hij wil. Daar
ze weten dat ik mijzelf toch niet in de politiek wil mengen zal ik wel het een
en ander van ze horen.'
'Ik zou het overigens stil houden dat je kunt lezen en schrijven. Onwetendheid
kan in je voordeel zijn,' zei Diederik tegen Arnould.
