T.a.v, de voorzitter van College van bestuur. Universiteit Twente,

Onderwerp : Melding van een wetenschappelijke fraude dat zich heeft voorgedaan bij faculteit Elektrotechniek van uw universiteit, en aanvraag van de FOM beoordeling rapport.

25 September 1996.

Geachte voorzitter,

In 1988 was ik werkzaam bij de vakgroep TDM (Transductantie techniek en Materiaalkunde van de Faculteit der Elektrotechniek, universiteit Twente) om onderzoek te verrichten naar de ontwikkeling van een geïntegreerde hoekopnemer (sensor). Mijn twee jarige onderzoek activiteiten bij de UT was gebaseerd op onjuiste en onvolledige door derde aangeleverde gegevens. De faculteit EL heeft destijds geweigerd de kwestie door een onafhankelijke commissie te laten onderzoeken, en publikaties van de tegen partij achtergehouden. Mijn recente aanvraag van een kopie van de wetenschappelijke beoordeling rapport van de FOM van mijn onderzoek was ook niet gehonoreerd. De directeur van de FOM heeft mij om een nieuw melding bij de Universiteit te dienen geadviseerd. Met dit schrijven vraag ik u uw medewerking in de bovengenoemde kwestie.

Ik heb een uitgebreide technische rapport over de kwestie samen-gesteld, wanneer u meer helderheid in mijn zaak zou wensen, dan verneem ik dat graag van u.





Bijlage :-FOM brief van 15 Mei 1996.

-Mijn brief aan de faculteit EL van 4 Juni 1996.

-Reactie van de faculteit EL van 2 Juli 1996.

-Mijn laatste reactie aan de faculteit van 8 Juli 1996.



Reactie van Prof.dr.ir.B.P.Th. Veltman, Voorzitter ban het college van bestuur :

8 November 1996.

Uw ingediende klacht omtrent wetenschappelijke fraude is destijds uitputtend onderzocht en ongegrond bevonden. Er zijn sindsdien geen nieuwe feiten aan de orde gekomen en wij zien dan ook geen reden het onderzoek te heropenen.



Nationale ombudsman onderzoek :

X= Dr.Aite, ex-medewerker van ICE

Y= Prof.Popma, faculteit decaan

Z= Prof.Wallinga, ex-superieur van Elmrabat en Aite.

W= Prof.Fluitman, ex-superieur van Elmrabat

U= Prof.Middelhoek, ex-superieur van X

KLACHT Op 20 december 1996 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer dr. B. Elm'rabat te Eindhoven met een klacht over een gedraging van het College van Bestuur van de Universiteit Twente. Nadat verzoeker op 1 en 2 april en 26 mei 1997 nadere informatie had verstrekt, werd naar deze gedraging een onderzoek ingesteld. Op grond van de door verzoeker verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd: Verzoeker klaagt erover dat het College van Bestuur van de Universiteit Twente: 1. zijn verzoek van 25 september 1996 tot het instellen van een nieuw onderzoek naar wetenschappelijke fraude heeft afgewezen; 2. zijn verzoek van diezelfde datum om toezending van een kopie van het rapport van de Stichting voor Fundamenteel Onderzoek der Materie inzake de beoordeling van een door zijn begeleiders op 29 januari 1990 ingediende subsidieaanvraag heeft afgewezen.

ONDERZOEK In het kader van het onderzoek werd het College van Bestuur van de Universiteit Twente verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Vervolgens werd verzoeker in de gelegenheid gesteld op de verstrekte inlichtingen te reageren. Tevens werd het College van Bestuur van de Universiteit Twente en verzoeker een aantal specifieke vragen gesteld. Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. De reactie van verzoeker gaf in tegenstelling tot de reactie van het College van Bestuur aanleiding het verslag aan te vullen.

BEVINDINGEN

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

1. Feiten Inleiding 1.1. Verzoeker was van 1 juli 1988 tot 1 juli 1990, als medewerker onderzoek, werkzaam bij de vakgroep Transductietechniek en Materiaalkunde van de faculteit Elektrotechniek van de Universiteit Twente. Hij was belast met het onderzoek ten behoeve van de ontwikkeling van een geïntegreerde hoekopnerner. Het onderzoek stond onder leiding van de heren W en Z.

1.2. De heren W en Z dienden op 29 januari 1990 bij de Stichting voor Fundamenteel Onderzoek der Materie (FOM) een subsidieaanvraag in. De subsidie was nodig om het onderzoek van verzoeker te kunnen voortzetten. In de aanvraag stond dat het Onderzoek naar de ontwikkeling van een geïntegreerde hoekopnemer zover was gevorderd dat de problemen in beginsel waren opgelost en met de bouw van een prototype kon worden begonnen. Verder onderzoek was nodig omdat het ontwerp nog diende te worden geoptimaliseerd. Verzoeker werd in de aanvraag als onderzoeker genoemd. FOM wees de subsidieaanvraag bij brief van 23 mei 1990 af. FOM voegde bij haar brief een kopie van het beoordelingsrapport van de subsidieaanvraag. Het onderzoek ten behoeve van de ontwikkeling van een geïntegreerde hoekopnemer werd na de afwijzing van de subsidie-aanvraag niet voortgezet.

1.3. In juni 1989 bewerkte de heer X, een collega van verzoeker van de vakgroep IC-technologie en Elektronica van de faculteit Elektrotechniek, op verzoek van verzoeker een aantal preparaten ten behoeve van verzoekers onderzoek. De heer x bracht met behulp van een proces en een apparaat dat hij had ontwikkeld een laag materiaal aan op de preparaten.

1.4. Uit een brief die verzoeker op 12 april 1990 aan de heer z schreef bleek dat hij van de heer X informatie had ontvangen over de wijze waarop hij de preparaten had bewerkt. Uit deze brief bleek verder dat verzoeker van mening was dat de heer X hem niet volledig had geïnformeerd (verzoeker stelde onder weer de oxidatie condities van de eerste en derde run te missen). Hij verzocht om een volledig verslag van de heer x.

1.5. De heer Z reageerde op 4 mei 1990 onder meer als volgt op de brief van verzoeker van 12 april 1990: " Onze afspraak was dat je zou aangeven welke gegevens je nodig zou hebben m.b.t. de door de heer x behandelde plakken. D.w.z. geef aan van welke plakken) je welke gegevens nodig hebt om je onderzoek met een rapport af te ronden. Alleen met die concrete en gerichte vragen kan ik uit de voeten.(.....) In de bijlage d.d. 6/02/1989 (bedoeld zal worden 6/02/1990; N.O.) vind je de oxidatie condities waaronder de eerste en derde run voor jou geoxideerd zijn. Wil je bijgaande bevestiging voor ontvangst van de gegevens ondertekenen en retourneren? Ik neem aan dat nu alle gegevens bij jou bekend zijn. Er volgt geen verdere verslaglegging van de heer x. (...)."

1.6. De heer W stuurde op 7 mei 1990 een notitie aan de directeur van de faculteit Elektrotechniek over het- functioneren van verzoeker. In deze notitie stond onder meer het volgende: "Als chef van (verzoeker; ~.o.) en in overeenstemming met de heer Z wil ik bij deze melding doen van een zorgelijke situatie rondom het functioneren van (verzoeker; N.O.). Reeds eerder is het conflict aan de orde geweest, dat is gerezen tussen (verzoeker; N.O.) en de heer X. Dit conflict is gerezen als gevolg van een door beide heren opgezette samenwerking. die qua aard echter door beiden volledig verschillend wordt geïnterpreteerd (...). Binnen deze samenwerking zijn door de heer X een aantal preparaten geproduceerd. die vervolgens door (verzoeker; N.O.) uitvoerig zijn geanalyseerd. De resultaten van deze analyse zijn bekend bij de heer X, maar de essentie'~le productiecondities van de genoemde preparaten worden volgens (verzoeker; N.O.) door de heer x achtergehouden. Zijn conclusie is dat de productiegegevens en de analyseresultaten nu bij de heer x bekend zijn, terwijl hijzelf niet over de juiste productiegegevens beschikt. Dat betekent, dat hij geen goede basis heeft om zijn arbeid in een of meer publicaties om te zetten. Dit conflict is uitvoerig doorgesproken met alle betrokkenen. Daarbij is naar voren gekomen dat (verzoekers; N.O.) interpretatie van de opgezette samenwerking de verplichting inhoudt tot uitwisseling van gegevens en gemeenschappelijke publicatie. De hee X echter meent dat de samenwerking eerder een dienstverlening van zijn kant was, een dienstverlening die bestond uit het leveren van de preparaten, waar (verzoeker; N.O.) dan verder nee zou kunnen werken. (Verzoeker; N.O.) meent uit zijn analyses te kunnen afleiden, dat de productiegegevens die door de heer X aan hem zijn verstrekt onjuist zijn. Door ons (de heren W en Z; N.O.) is bij herhaling gevraagd aan de heer X of er andere, of aanvullende gegevens zijn. Die zijn er volgens hem niet. (...) Bij (verzoeker; N.O.) bestaat het gevoel dat hij bedrogen wordt, waardoor hij tevens niet in staat is zijn arbeid in publiceerbaar materiaal om te zetten. Rond kerstmis 1989 is deze situatieenigszins geëscaleerd, maar daarna is in enige gspreksrondes de rust hersteld. Er is overeengekomen om de zaak te laten rusten en voort te gaan op basis van gegevens, voor zover die beschikbaar waren. De rust blijkt echter niet hersteld. (Verzoeker; N.O.) meent steeds over nieuw materiaal te beschikken, waardoor zijn vermoedens van bedrog en/of tegenwerking worden bevestigd. (...). Ik ben ervan overtuigd, dat hij door deze zaak erg geschokt is en dat zijn functioneren sterk beïnvloedt. Aan de andere kant is het voor ons niet meer duidelijk wat wij aan deze situatie kunnen doen. Er is geen overtuigende reden het wantrouwen van (verzoeker; N.O.) te delen, logische motieven zijn daarvoor niet aanwezig en de wijze van gegevensverstrekking van de heer x, op basis van zijn idee van de samenwerking, is niet op voorhand verdacht. Het is natuurlijk niet uit te sluiten, dat personen elkaar bedriegen, maar door ons is geen materiaal meer aan te dragen dat ander licht brengt in deze situatie. Wij houden het er op dat er geen bedrog in het spel is, hetgeen door (verzoeker; N.O uiteraard wordt betwist."

1.7. Verzoeker liet in reactie op de notitie van de heer W van 7 mei 1990 op 26 juni 1990 onder meer het volgende aan de faculteitsdirecteur weten: "Het gaat hier over een pseudo-conflict dat echt niet hoeft te bestaan als mijn chefs op basis van hun deskundigheid mijn argumenten van augustus 1989 serieus hadden genomen. Mijn chefs zijn m.i. te ver gegaan, toen ze mijn samenwerking met de heer x ontkenden. Zij waren steeds op de hoogte gebracht van het verloop, de resultaten en de afspraken rondom de mogelijke publicaties. De bijdrage van de heer X was kwantitatief te belangrijk om te beweren dat er slechts sprake zou zijn van dienstverlening. In de bijlage vindt u mijn laatste correspondentie met Prof. Z. De aanleiding tot deze correspondentie werd gevormd door de resultaten van mijn laatste experiment (januari-april 1990) en door mijn conclusie dat de heer X een nitridatie stap heeft gebruikt. Mijn laatste Auger analysen laten zien dat het hier om precies te zijn, gaat om een plasma nitridatie bij lage temperatuur, mogelijk in een NH3 gas in aanwezigheid van Fluor. Erger is, dat deze analysen laten zien dat de heer X een dubbele laag SiO2-SiON gebruikt heeft in plaats van het normale SiO2 van het CMOS proces. Deze structuur is nauwelijks bekend en die had ik eerder onderzocht gedurende mijn verblijf in de Nat-Lab. Helaas weet ik niet boe de heer X aan deze gegevens gekomen is. Ik weet ook niet of het hier gaat om belangrijke bedrijfsgegevens. Ik ben het in elk geval niet eens met uw conclusie, dat mijn verblijf in uw faculteit een verlies voor uw Organisatie zou zijn. De redenen hiervoor zijn de volgende: - De universiteit heeft mij een in alle opzichten foutieve opdracht gegeven. Mijn taak werd daardoor beperkt tot redden en publiceren. - Rond april besloot ik mijn tweede publicatie te schrijven, maar wegens bovengenoemd conflict en de gevolgen daarvan - ziekte mei-juni jl.- is deze nog niet klaar. Mijn derde publicatie is pas mogelijk, nadat ik de experimentele gegevens van de heer X heb gekregen. - Enige publicaties en een octrooi van mijn collega's op basis van mijn ideeën en arbeid zijn al gepubliceerd. Gezien deze omstandigheden en de bereikte resultaten vind ik dat er hier geen sprake is van een verlies of mislukking. Eigenlijk is er sprake geweest van functie misbruik. Mijn vraag aan de universiteit beperkt zich tot het verkrijgen van een juist en volledig verslag van de heer X over zijn bijdrage in de bovengenoemde samenwerking. Dit is nodig om de resultaten van mijn onderzoek gedurende 2 jaren te kunnen publiceren. Om duidelijk te zijn, het verkregen verslag van de heer X betreft slechts een bekend proces en is echt niet bruikbaar voor mijn opdracht of publiceerbaar in de vorm van een octrooi. De bereikte resultaten van dit experiment hebben echt niets te maken met nitridatie stappen en zijn het resultaat van een secondair detail."

1.8. In reactie op de brief van verzoeker van 26 juni 1990 deelde de heer W op 6 juli 1990 onder meer het volgende aan de faculteitsdirecteur mee: "Twee postdocs, (verzoeker; N.O.) en de heer X, hebben hij hun werk afspraken gemaakt. Dat is een normale gang van zaken. Zulke afspraken hebben de status van een "gentlemens agreement" tussen lieden met een eigen verantwoordelijkheid. Postdocs worden niet op de hielen gezeten door begeleiders. Zij zijn ingehuurd voor een taak, die zij zelfstandig vorm moeten geven. Het komt zelden voor dat afspraken tussen onderzoekers binnen een kring op formele wijze worden vastgelegd. Als zij zoiets zouden willen, dan moeten zij daar melding van maken. Dat er afspraken tussen genoemde postdocs zijn gemaakt is terloops gemeld in de periode dat er nog geen sprake was van een conflict. Wij hebben daarm kennis van genomen (van (verzoeker; N.O.), zoals wij kennis nemen van zoveel afspraken, samenwerkingsvormen, etc. Het hangt dan van de onderzoekers in kwestie af of wij, als chefs daar dieper op ingaan. Afspraken tussen promovendi behoeven eerder een begeleiding. dan die tussen postdoc. En als er geen onraad wordt bespeurd is er geen reden om de zaken te formaliseren. Dat zou het onderzoekklimaat bepaald niet ten goede komen, Wij hebben de samenwerking tussen (verzoeker; N.O.) en de heer X niet ontkend, maar wij zijn er achter gekomen, dat beide heren over die samenwerking een verschil van opvatting hadden."

1.9. De faculteitsdirecteur reageerde op 13 augustus 1990 onder meer als volgt op de brief van verzoeker van 26 juni 1990: "Naar aanleiding van uw brief heb ik een gesprek gehad met prof. W en prof. Y (de faculteitsdecaan; fl.0.) om mij nogmaals een duidelijk beeld te laten schetsen van hun visie op uw verblijf en activiteiten bij de faculteit Elektrotechniek. Naar aanleiding van deze gesprekken is mij het volgende duidelijk geworden. M.b.t. vermeend functie misbruik De door u aangehaalde conclusie dat "mijn verblijf in uw faculteit een verlies voor uw Organisatie zou zijn" is geen uitspraak die dezerzijds is gedaan of zelfs dezerzijds leeft. Volgens uw chef, prof. W, heeft u een duidelijke opdracht gekregen en is er zelfs een follow-up geprogrammeerd in de vorm van een STW-aanvraag. Uw uitspraak "Enige publicaties en een octrooi zijn al gepubliceerd" zou u nader moeten concretiseren alvorens ik de juistheid ervan kan toetsen. Uw begeleiders kunnen mij in ieder geval niet zeggen welke publicaties en welk octrooi van welke collega u voor ogen heeft. (...) Mijn conclusie is dat er geen sprake is geweest van functie misbruik, maar dat u heeft kunnen werken als iedere andere eerste geldstroom medewerker onderzoek. Dat het resultaat van uw verblijf aan onze faculteit voor zowel u als ons teleurstellend is geweest lijkt te zijn gelegen in voor mij niet direct duidelijke oorzaken buiten de directe wetenschappelijke sfeer. M.b.t. verslaggeving de heer X Volgens mijn informatie heeft '1 de beschikking gekregen over alle informatie die ter beschikking is. Dit is bevestigd door zowel de begeleider van de heer x, prof. Z, als door uw begeleider. prof. W. Ook de faculteitsdekaan, prof. Y, bevestigt dit. U zult begrijpen dat ik in deze vakinhoudelijke zaak op het onpartijdige oordeel van de drie genoemde hoogleraren vertrouw. Ik heb geen enkele reden aan te nemen dat de heer X ten uwen nadele "in bescherming" zou worden genomen. Mijn conclusie hierbij is derhalve dat u vraagt om informatie die niet beschikbaar is." De tussen verzoeker. de faculteitsdirecteur en het College van Bestuur in 1996 gevoerde correspondentie

1.10. Verzoeker verzocht bij brief van 23 april 1996 aan de faculteitsdirecteur om toezending van een kopie van het FOM-rapport. Hij gaf in deze brief het volgende aan: "...Het is nog niet duidelijk voor mij waarom mijn ex-chefs Pr. W en Pr. Z destijds een subsidieaanvraag op mijn naam bij de FOM hebben ingediend. Er was inderdaad nooit sprake geweest van een verlenging van mijn verblijf bij de UT. Gezien het feit dat deze aanvraag op foutieve gegevens gebaseerd is, vraag ik 11 een kopie van de FOM beoordeling rapport aan mij te verstrekken. Het ging over een beoordeling van mijn (...) technisch onderzoek bij de UT (...), daarvoor acht ik een inzage gerechtvaardigd..."

1.11. De faculteitsdirecteur reageerde op 14 mei 1996 als volgt: "...Naar aanleiding van uw bovenvermelde brieven heb ik contact opgenomen met professor 2 en professor W teneinde nadere informatie te verkrijgen omtrent de door u aangeroerde problematiek. Uit verkregen informatie is mij gebleken dat in 1990 een onderzoekvoorstel bij FOM is ingediend, waarbij is aangegeven dat bij honorering, u als onderzoeker beschikbaar zou zijn. Dit onderzoek- voorstel is echter door FOM niet gehonoreerd. Het is niet gebruikelijk om afgewezen onderzoekvoorstellen te bewaren. Zij hebben geen waarde als naslagwerk noch kunnen zij enige referentie bieden voor toekomstig onderzoek. Geheel los van de vraag of u recht zou hebben om de aanvraag in te zien, is deze aanvraag niet meer in onze archieven aanwezig..."

1.12. Verzoeker schreef op 4 juni 1996 het volgende aan de faculteitsdirecteur: "... Het gevraagde beoordeling rapport is bij de FOM beschikbaar. Met toestemming van de Universiteit Twente is de FOM in principe bereid mijn aanvraag te honoreren. Het gaat hier om gegevens betreffende een geval van wetenschappelijke fraude dat zich heeft voorgedaan hij uw faculteit. Mijn eerste melding bij u dateert al vanaf december 1989. De FOM heeft mij geadviseerd om een nieuwe melding bij de Universiteit in te dienen. Met dit schrijven vraag ik u nogmaals uw medewerking om deze kwestie snel te kunnen afsluiten...

1.13. De faculteitsdirecteur deelde op 2 juli 1996 onder meer het volgende aan verzoeker mee: "Met verwijzing naar uw bovenvermelde brief bestrijdt de faculteit Elektrotechniek ten zeerste uw stelling dat indertijd sprake is geweest van wetenschappelijke fraude. Uw eerder uitgesproken vermoedens zijn destijds onderzocht en ongegrond gebleken. Derhalve doet uw argument om inzage in het beoordelingsrapport te krijgen niet ter zake en zie ik geen reden om uw verzoek tot inzage van het beoordelingsrapport te honoreren."

1.14. Verzoeker liet op 8 juli 1996 onder meer het volgende aan de faculteitsdirecteur weten: "(Ik) bestrijd ten zeerste uw stelling dat indertijd sprake is geweest van een onderzoek van mijn klacht, wel hebt u de mening van de tegenpartij inclusief faculteitsdecaan Prof. Y (...) gevraagd. Prof. Y heeft mij destijds gevraagd om de zaak te laten rusten en meegedeeld dat ICE weigeren de gevraagde gegevens te verstrekken. Het heeft later wat tijd en moeite gekost om de gewenste gegevens te kunnen verzamelen. Dat mijn klachten ongegrond gebleken waren, is voor mij nieuwe informatie. Wat men kan constateren, is het feit dat de UT geweigerd heeft om de kwestie te laten evalueren door een onafhankelijke commissie van deskundigen. Het argument van uw beslissing betreffende mijn inzage van het FOM rapport is dus ongeldig. Het gevraagde beoordeling rapport van de FOM zou in principe meer duidelijkheid over de kwestie kunnen verschaffen, maar vormt geen belangrijk bewijsmateriaal. Het ging over een wetenschappelijke beoordeling van mijn (.1.) wetenschappelijk onderzoek, daarvoor acht ik een inzage gerechtvaardigd."

1.15. Verzoeker schreef op 25 september 1996 onder meer het volgende aan het College van Bestuur: "Mijn twee jarige onderzoek activiteiten bij de III was gebaseerd op onjuiste en onvolledige door derde aangeleverde gegevens. De faculteit EL heeft destijds geweigerd de kwestie door een onafhankelijke commissie te laten onderzoeken, en publicaties van de tegenpartij achtergehouden. Mijn recente aanvraag van een kopie van het wetenschappelijke beoordeling rapport van de FOM van mijn onderzoek was ook niet gehonoreerd. De directeur van de FOM heeft mij geadviseerd om een nieuwe melding bij de Universiteit in te dienen. Met dit schrijven vraag ik u uw medewerking in de boven- genoemde kwestie."

1.16. Bij brief van 16 oktober 1996 rappelleerde verzoeker het College van Bestuur.

1.17. Het College van Bestuur reageerde op 1 november 1996 onder meer als volgt op de brieven van verzoeker van 25 september en 16 oktober 1996: "Aangezien wetenschappelijke fraude een ernstige beschuldiging is, die overigens niet vrijblijvend van uw kant geuit kan worden, hebben wij alle archiefstukken die op de onderhavige FOM-aanvraag uit 1990 betrekking hebben, zorgvuldig bestudeerd. Daarbij zijn wij tot de volgende conclusies gekomen: 1. Anders dan u veronderstelt (o.m. uw brief van 25 april 1996) is de FOM-subsidie niet op uw naam aangevraagd. De aanvragers zijn de professoren W en 2. Uw naam is slechts genoemd als potentiële kandidaat voor de uitvoering van het aangevraagde onderzoek. 2. De projectaanvraag bevat een globale beschrijving van de wetenschappelijke vraagstellingen rondom de compatibiliteit tussen het permalloy proces en het CMOS proces. Weliswaar gericht op toepassing ten behoeve van een hoek-detector echter in hoofd zaak bedoeld om de processen fysisch beter te doorgronden. In de aanvrage zijn geen andere kwalitatieve veronderstellingen aangeduid. Er zijn in het geheel geen kwantitatieve onderzoeksresultaten vermeld, laat staan "onjuiste en onvolledige door derden aangevoerde gegevens~c zoals u blijkens uw correspondentie vermoedt. 3. De beoordeling door de FOM-experts is eveneens van veronderstellende en kwalitatieve aard, duidend op mogelijke werkhypotheses voor het onderzoek. De toonzetting van het des kundigenrapport is zeer positief over de kwaliteit van de onderzoeksgroep en bepaald ook positief over het onderzoek-voorstel zelf dat van hoog niveau wordt geacht. 4. De jurybeoordeling van de projectaanvraag heeft de volgende cijfers opgeleverd: 4,3 voor de wetenschappelijke kwaliteit. 3,9 voor de utilisatie. Helaas is dat niet voldoende gebleken om in de prioriteiten lijst van de vele ingediende voorstellen tot de gehonoreerden te behoren <...). Samenvattend stellen wij vast geen enkel aanknopingspunt gevonden te hebben voor het gebruik van onjuiste en onvolledige gegevens en als gevolg daarvan kan de afwijzing onmogelijk daarop berusten. Voorts veroorloven wij ons op te merken dat, los van de onderhavige zaak, verificatie en aanvulling van gegevens bij wetenschappelijk werk veelvuldig aan de orde is en dat de aard van het wetenschappelijk onderzoek juist is eventuele onjuiste of onvolledige gegevens te vervangen door juiste en volledige gegevens. Dit is bepaald niet als wetenschappelijke fraude aan te merken. U stelt nog dat er wetenschappelijke publicaties zijn achtergehouden. Publicaties zijn openbaar, uw standpunt kunnen wij dus niet delen. Volledigheidshalve zenden wij u een kopie van de literatuurlijst die bij de aanvrage is overlegd. Als hierin frauduleuze zaken voorkomen dan is het zaak dat wetenschappelijk te bewijzen in een brief aan de redactie van het desbetreffende tijdschrift."

1.18. Verzoeker deelde op 4 november 1995 onder meer het volgende aan het College van Bestuur mee: "De wetenschappelijke fraude is niet in hoofdzaak terug te voeren op een recent meningsverschil ter zake van de FOM kwestie, zoals uw redenering van uw bovengenoemde schrijven suggereert Samenvattend, het ging over het testen door een derde buiten mijn kennis van experimenten in het kader van een octrooiaanvraag op preparaten van mijn onderzoek en de weigering van de Universiteit mijn ingediende klacht van december 1989 tijdig te onderzoeken. Over de FOM kwestie, met~de toestemming van de UT is de FOM in principe bereid mijn verzoek te honoreren. Het ging immers over mijn inzage van een wetenschappelijke beoordeling rapport van mijn wetenschappelijk onderzoek destijds bij de UT en los van de subsidieaanvraag behandeling. Met dit schrijven vraag ik u nogmaals een duidelijke reactie over de twee bovengenoemde vragen."

1.19. Het College van Bestuur liet op 8 november 1996 het volgende aan verzoeker weten: "...Uw ingediende klacht omtrent de wetenschappelijke fraude is destijds uitputtend onderzocht en ongegrond bevonden. Er zijn sindsdien geen nieuwe feiten aan de orde gekomen en wij zien dan ook geen reden het onderzoek te heropenen. De "FOM kwestie" waaraan u refereert is naar onze mening voldoende toegelicht in de brief van 1 november jl. (...). Alle voor uw standpunt van belang zijde gegevens uit het rapport staan reeds in die brief..."

1.20. verzoeker deelde op 18 november 1995 het volgende aan het College van Bestuur mee: "...Bijgaand treft u kopieën aan van mijn laatste correspondentie met de UT. Uit de afschriften blijkt dat er geen sprake is geweest van een'~uitputtend'~ onderzoek. Uit deze stukken blijkt inderdaad ook dat destijds de tegenpartij het gevraagde wetenschappelijke artikel (Novel low temperature Rf plasma aanhaling using NH3-N2 gas mixture, de heer x, Februari 1990) voor mij ex-advocaat (schrijven van 11 januari 1991> achtergehouden heeft. Namens het college van bestuur <schrijven van 8 februari 1991) heeft de faculteit EL een oudere publicatie verstrekt (The relationship between intrinsec stress of SiN films and jon generation in a 50 Khz RF discharge, de heer X, 1988). Een uitgebreid onderzoek is niet noodzakelijk om u te overtuigen dat mijn klacht gegrond was. Gedurende mijn onderzoek kwam ik verrassend tegen waterstof en stikstof in bepaalde Silicium inrichtingen om eenvoudig te concluderen dat men mijn preparaten met een nitridatie (NH3) gemanipuleerd heeft. Mijn aanvraag op het eerste instantie van volledig en juiste gegevens was bedoeld om een geval van een wetenschappelijke fraude te vermijden. Omdat het ging over een octrooiaanvraag weigerde men mijn verzoek te honoreren. Later (1993-1994) kwam ik tegen de publicatie en de octrooi aanvragen van de beer X betreffend een NH3 behandeling methode. Ik ben zeer teleurgesteld dat de UT na zes jaren nog niet bereid is de bovengenoemde fouten te accepteren..."

1.21. Verzoeker liet op 28 januari 1997 het volgende aan het College van Bestuur weten: "...Bijgaand treft u kopieën van aanvullende gegevens betreffend mijn eerder ingediende klacht van een wetenschappelijke fraude. Uit de afschriften blijkt dat gedurende mijn onderzoek men niet alleen mijn preparaten met een nitridatie (NH3) gemanipuleerd heeft, maar ook in een plasma apparatuur in ontwikkeling buiten mijn kennis vervaardigd heeft. Het was de reden van de weigering van de heer X de naam van de gebruikte apparatuur in mijn publicatie te gebruiken. Hopend de aanvullende gegevens u de aanleiding mijn klacht te onderzoeken geeft, verblijf ik..." Verzoeker voegde bij zijn brief van 28 januari 1997 onder meer een op 6 juli 1993 aan de heer X (e.a.) verleend United States Patent (zie hieronder onder 2.) en een brief van de heer X aan de heer W van 5 maart 1990. In deze brief liet de heer X onder meer aan de heer W weten wat hij met de in juni 1989 van verzoeker ontvangen preparaten had gedaan (onder meer onder welke omstandigheden het op de preparaten aan te brengen laagje was aangebracht en waaruit dit laagje bestond). Verder wees hij erop dat zijn naam en de door hem gebruikte machine niet door verzoeker als referentie mochten worden gebruikt.

2. Standpunt van verzoeker

2.1. Het standpunt van verzoeker is weergegeven in de klachtsamenvatting onder KLACHT en in de onder 1. Feiten opgenomen brieven van verzoeker. Verzoeker gaf in zijn verzoekschrift onder meer aan dat de universiteit in de periode van juni 1989 tot mei 1991 octrooiaanvragen en een publicatie van de heer X had achtergehouden. Hij merkte op dat hij in de zomer van 1993 voor het eerst had kennisgenomen van de publicatie van de heer X van 1989, en later, in de zomer van 1994, van de octrooiaanvraag van 28 juni 1989 en het United States Patent van 6 juli 1993. Verzoeker voegde bij zijn verzoekschrift de octrooiaanvraag van 28 juni 1989. Deze octrooiaanvraag had betrekking op een "Werkwijze voor het verwijderen van defecten in een gemetalliseerd halfgeleiderinrichting". De octrooiaanvraag was ingediend door een bedrijf te Hoogeveen. Als uitvinder werd onder meer de heer X genoemd. Daarnaast verstrekte verzoeker een European Patent Application van 26 juni 1990 en een artikel van de heer x (e.a.) van 23 februari 1990 met de titel "Novell low temperaturen RF plasma aanealing Ezinge NH3-N2 gas mixture". Het artikel was gepubliceerd in het tijdschrift Electronics Letters van 24 mei 1990. De European Patent Application en het artikel van 23 februari 1990 hadden op dezelfde werkwijze betrekking als de octrooiaanvraag van 28 juni 1989. Tevens legde verzoeker een kopie over van een op 6 juli 1993 verleend United States Patent. De desbetreffende aanvraag was ingediend op 20 mei 1991. In het United States Patent wordt als uitvinders een aantal personen uit Canada, onder wie de heer X, genoemd. Een Canadees bedrijf wordt als rechtverkrijgende genoemd. Ten aanzien van het FOM-rapport gaf verzoeker aan dat de subsidieaanvraag was gebaseerd op onder meer zijn onderzoek. Hij merkte op dat he FOM-rapport was te beschouwen als een onafhankelijke beoordeling van de door hem uitgevoerde onderzoeksactiviteiten en als een belangrijk stuk voor een eventueel onderzoek naar zijn klacht.

3. Standpunt van het College van Bestuur van de Universiteit Twente

3.1. Het College van Bestuur liet in reactie op de klacht onder meer het volgende weten: "Instellen onderzoek (Verzoeker; N.O.) wil dat het College van Bestuur opnieuw een onderzoek instelt naar de mogelijke manipulatie van gegevens door de heer X eind jaren '80. Daarbij stelt hij dat er nieuwe feiten zouden zijn die een dergelijk onderzoek rechtvaardigen. De "nieuwe feiten" zijn een publicatie uit 1989 die door de UT achtergehouden zou zijn en een octrooiaanvraag uit 1990/1991. Publicaties zijn per definitie openbaar en kunnen dus niet achter worden gehouden. Als <verzoeker; fl.0.> meent dat deze publicaties onjuistheden bevatten, dan dient hij dit bij het publicerende tijdschrift aan te geven (zie ook onze brief d.d. 1 november 1996(...). Het octrooi kende (verzoeker; N.O.) inderdaad niet, want het betrof hier contractonderzoek waarbij geheimhouding was afgesproken. (Verzoeker; N.O.) was niet betrokken bij dit onderzoek. De kennis van (verzoeker; N.O.) die in het octrooi voor zou komen, zou kennis moeten zijn die hij dan bij (zijn vorige werkgever; N.O.) heeft opgedaan (...), (zijn vorige werkgever; N.O.) ontkent echter dat er kennis van hen in het octrooi is verwerkt. Het onderzoek naar het geschil tussen <verzoeker en de heer X; fl.0.> is destijds onder meer gedaan door prof.dr.Y, die de octrooiaanvrage wel kende. Hij constateerde echter dat het octrooi niets met het werk van (verzoeker; N.O.) te maken had. Het bevreemdt het College van Bestuur dat (verzoeker; N.O.) eerst in 1996 een brief over deze "nieuwe feiten" schrijft terwijl zij hem kennelijk in 1994 al bekend waren. De publicatie uit 1989 stelt <verzoeker; N.O.) voor de eerste maal bij het College van Bestuur aan de orde bij brief d.d. 18 november 1996 (...). In zijn eerdere brieven, zoals van 25 september 1996 komt dit "nieuwe feit" alleen in algemene zin voor. FOM-rapport (Verzoeker; N.O.)stelt dat voor de projectaanvraag bij FOM zijn onderzoek en zijn publicatie is gebruikt. (Verzoeker; N.O.) wordt echter in de aanvraag van de UT slechts genoemd als mogelijke uitvoerder van het onderzoeksproject. Dit is zowel door ons aangegeven in de brief d.d. 1 november 1996 (...) als door FOM in een brief aan (verzoeker; N.O.) d.d. 15 mei 1996 (...). De reden dat het college heeft geweigerd een kopie van het rapport af te staan, is met name gelegen in het feit dat de indruk bestaat dat (verzoeker; N.O.) niet zal ophouden met het vragen naar nog meer informatie die slechts zijdelings met zijn geschil met de heer X destijds te maken heeft. Illustratief hiervoor is dat de gegevens van de heer X destijds vele malen zijn verstrekt, op het laatst heeft prof. Z hiervan een ontvangstbevestiging gevraagd (...). (Verzoeker; N.O.) heeft bovendien via Internet informatie over dit onderwerp verspreid (...), het college vreest dat het FOM-rapport ook, van commentaar voorzien, door (verzoeker; N.O.) op het Internet zal worden gezet. Overigens bevreemdt het College van Bestuur dat (verzoeker; N.O.) in 1990 slechts verzocht om onderzoeksgegevens van de heer X, in oktober 1996 is daar opeens de vraag naar het FM-rapport bijgekomen. Opmerking verdient nog dat (verzoeker; N.O.) zelf aangeeft dat het rapport voor hem geen relevante gegevens bevat, zie zijn brief d.d. 8 juli 1996 (...). Overigens heeft het College van Bestuur er geen moeite mee als (verzoeker; N.O.) inzage krijgt in het rapport."

3.2. Het College van Bestuur voegde bij zijn reactie een bericht dat verzoeker op 2 maart 1997 op het Internet had geplaatst. Verzoeker liet daarin weten dat hij een deskundige zocht om een onderzoek in te stellen naar de kwestie die zich in de jaren 1988-1990 bij de faculteit Elektrotechniek van de Universiteit Twente had voorgedaan. Hij gaf in het kort aan waar het over ging en dat de universiteit had geweigerd de zaak te onderzoeken,

4. Reactie van verzoeker Verzoeker deelde onder meer het volgende mee: "De bewijzen van de wetenschappelijke fraude (...) -Mijn elektronische metingen (...) waarin blijkt dat deels van mijn preparaten vervuild met waterstof waren. -De analyses van mijn preparaten door een onafhankelijke groep binnen de UT laten zien dat de vervuilde preparaten ook stikstof bevatten. -De publicatie en octrooiaanvragen van de heer X waarin te begrijpen valt dat men met een plasma-nitridatie waterstof en stikstof in halfgeleider inrichtingen introduceren kan. (...) Van mijn schrijven van 26 juni 1990 aan de faculteitsdirecteur en voordat ik de toegang tot de octrooiaanvraag van de heer X kon krijgen (1994) had ik een vermoeden dat hij buiten mijn kennis een plasma nitridatie op mijn preparaten verricht heeft (...). Verder, ik heb nog steeds geen enkele informatie in welke type plasma apparatuur de tweede laag van mijn preparaten door de heer x vervaardigd waren. In zijn brief aan de heer W weigerde hij zwart op wit de naam van de "machine used" te gebruiken. In 1994 kwam ik tegen een Amerikaans octrooi van de heer X over een plasma apparatuur. Het was eerder duidelijk voor mij dat mijn preparaten niet in een klassiek apparaat vervaardigd waren. (...) Samenvattend, het gaat hier om de volgende fouten (wanprestatie van de tegenpartij): -Het verrichten van handelingen buiten mijn kennis op preparaten bestemd voor mijn onderzoek met de bekende schade voor mijn onderzoeksactiviteiten hij de UT (juni 1989 - augustus 1989>, met het doel de aansprakelijkheid van ICE 'vinding" de hoekopnemer sensor te kunnen omvatten. (...) -Informatie achterhouden gedurende de interpretatie van de verrichte metingen, met de bekende consequenties voor verder onderzoek, vanaf augustus 1989 was mijn onderzoek geblokkeerd. -Een publicatie abstract versturen en een subsidie aanvragen op basis van foutieve resultaten. Een ernstige fout van mijn "ex-begeleiders", en een duidelijke onzorgvuldigheid van twee hoogleraren."

5. Nadere informatie

5.1. Het College van Bestuur liet in reactie op een aantal vragen van de Nationale ombudsman onder meer het volgende weten: "De heren W en Z waren aanvragers en supervisors van het project Magnetische Transducenten. De heer Z is. na het overlijden van de heer U (die tot zijn overlijden begin 1990 supervisor was van de heer X; N.O.)., supervisor geworden van de heer X. (....) De heren W en 2 waren hiervan (van het bewerken van verzoekers preparaten door de heer x; N.O.) in grote lijnen op de hoogte, zie daarvoor ook de brief van de heer W aan de Faculteits directeur EL d.d. 6 juli 1990 (...). (Verzoeker; N.O.) was op de hoogte van de behandelwijze van de preparaten. (Electronics Letters; fl.0.) is een gerenommeerd gereviewed internationaal tijdschrift gericht op snelle publicatie van wetenschappelijke bevindingen. (...) Het artikel is in februari 1990 aan het tijdschrift verzonden, dit staat namelijk onder het artikel vermeld. De gegevens die gebruikt zijn voor het artikel moeten dan in de loop van 1989 bekend zijn geworden. Het bedoelde octrooi (de octrooiaanvraag waarvan de heer Y op de hoogte was; fl.0.) betreft (de octrooiaanvraag van 28 juni 1989 en de "european patent application" van 26 juni 1990; N.O.), het Amerikaanse patent is aangevraagd door de heer X's volgende werkgever te Canada. Daar heeft de UT verder niets mee te maken. De heer X voerde het contractonderzoek uit voor de octrooien. het betrof het ontwikkelen van (een manier om) dunne lagen met plasma CVD- technieken te behandelen. De bovenste twee octrooiaanvragen betreffen hetzelfde onderzoek, een aanvraag voor Nederland en één voor Europa. (...) het US-patent <...) is niet in opdracht of onder supervisie van de UT tot stand gekomen. (...) De publicatie van de heer X (...) gaat inderdaad over de vindingen van de eerste twee genoemde octrooien. In het algemeen zal de procedure bij een dergelijke melding zijn dat men zich wendt tot de naast hogere in hiërarchie. Mocht deze geen gehoor geven of zelf bij de zaak betrokken zijn dan kan nog een tree hoger in de hiërarchie aan worden gesproken. In concreto: eerst naar de eigen hoogleraar, dan naar de decaan van de faculteit en vervolgens naar de rector van de universiteit. Hoewel er in de stukken uit 1990 niet gesproken wordt over wetenschappelijke fraude, is hier in grote lijnen wel deze procedure gevolgd. De eigen hoogleraren (W en Z) en de decaan (Y) zijn betrokken geweest bij het oplossen van de kwestie. Ook in 1996, toen (verzoeker; N.O.) terugkwam op dit onderwerp, is de heer Y (nu in de rol van rector) betrokken geweest bij het beantwoorden van (verzoekers; N.O.) vragen." 5.2. De heer Z deelde over het United States Patent van 6 juli 1993 onder meer het volgende mee: "Het octrooi betreft constructies in een apparaat dat bij (...), de nieuwe werkgever van de heer X is ontwikkeld. Het gaat om apparatuurconstructies en niet om de proces flow zelf. Het octrooi heeft geen relatie met de werkzaamheden die de beer X aan de UT heeft verricht. Het enige verband is in de naamgeving, omdat het apparaat ontwikkeld is om soortgelijke lagen te deponeren als de heer X bij de UT deed. De geoctrooieerde constructies zijn hier nooit ter sprake geweest. Er is op geen enkele wijze enige relatie met de opdracht die (verzoeker; N.O.) bij de UT uitvoerde."

6. Reactie op bevindingen Verzoeker deelde onder meer het volgende mee: "Punt 5.1 Electronics Letters is geen gerenommeerde gereviewed internationaal tijdschrift, wel gericht op snelle publicatie van bevindingen. (...)En waarom heeft het College van bestuur deze snelle publicatie achtergehouden. Mijn ex-advocaat heeft de publikaties van heer X gevraagd maar kreeg destijds een oudere publicatie van 1988.De reden was dat ik heb aangetoond dat mijn preparaten met een nitridatie behandeld waren voordat men met de publicatie en octrooi aanvragen naar buiten kwam. (.. .) Punt 5.2 United states patent van 6 juli 1993: De UT is op de hoogte dat mijn experimenten zeer afhankelijk van het apparaat om lagen te deponeren waren, en dat wetenschappelijk onacceptabel is om technische informatie over de gebruikte apparatuur achter te houden."

BEOORDELING

1. Ten aanzien van de weigering om een nieuw onderzoek in te stellen

1.1. Verzoeker klaagt er in de eerste plaats over dat het College van Bestuur van de Universiteit Twente zijn verzoek van 25 september 1996 heeft afgewezen tot het instellen van een nieuw onderzoek naar wetenschappelijke fraude. Volgens verzoeker had de heer X onjuiste en onvolledige gegevens aan hem verstrekt over de wijze waarop hij in juni 1989 een aantal preparaten voor hem had bewerkt. Verzoeker is van mening dat er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die een nieuw onderzoek rechtvaardigden. Verzoeker wijst onder meer op een publicatie van de heer X uit 1989, waarvan hij in de zomer van 1993 voor het eerst had kennisgenomen en die volgens verzoeker door de Universiteit voor hem was achtergehouden. Verder wijst hij op een octrooiaanvraag van 28 juni 1989 en een op 6 juli 1993 verleend United States Patent, waarvan hij in de zomer van 1994 voor het eerst had kennisgenomen.

1.2. Uit de brief van verzoeker aan het College van Bestuur van 18 november 1996 blijkt dat verzoeker met de publicatie van de heer X uit 1989 doelt op een artikel van onder meer de heer X van 23 februari 1990 met de titel "Novell low temperaturen RF plasma aanhaling Ezinge NH3-N2 gas mixture" dat op 24 mei 1990 is gepubliceerd in het tijdschrift Electronics Letters. Bij het in 1990 uitgevoerde onderzoek naar aanleiding van de klacht van verzoeker, dat de heer X onjuiste en onvolledige gegevens aan hem had verstrekt, waren behalve de faculteitsdirecteur en de faculteitsdecaan, de heer W en de heer z betrokken. De heer W en de heer Z gaven leiding aan het onderzoek van verzoeker. De heer Z gaf daarnaast - vanaf begin 1990 - leiding aan het onderzoek van de heer X. Gelet op dit laatste is aannemelijk dat de heer 2 van de in het artikel van 23 februari 1990 beschreven werkwijze op de hoogte was nog voordat het artikel in mei 1990 werd gepubliceerd.

1.3. Ten aanzien van de octrooiaanvraag van 28 juni 1989 deelde het College van Bestuur mee dat de toenmalige faculteitsdecaan, de heer Y, die ook bij het destijds uitgevoerde onderzoek betrokken is geweest, de octrooiaanvraag van 28 juni 1989 kende. Tijdens het onderzoek door de Nationale ombudsman is niet gebleken dat dit niet correct zou zijn. Bovendien had de octrooiaanvraag van 28 juni 1989 betrekking op dezelfde werkwijze als die welke is beschreven in de hiervoor onder 1.2. bedoelde publicatie. Zoals onder 1.2. is aangegeven, is aannemelijk dat de heer Z van deze werkwijze ten tijde van het onderzoek naar de klacht van verzoeker op de hoogte is geweest.

1.4. Met betrekking tot het op 5 juli 1993 verleende United States Patent wees het College van Bestuur erop dat het United States Patent door de volgende werkgever van de heer X te Canada is aangevraagd en dat de Universiteit Twente daar niets mee te maken heeft. De heer z voegde daar aan toe dat het United States Patent betrekking heeft op constructies in een apparaat dat door de heer X hij zijn nieuwe werkgever in Canada is ontwikkeld. Dat het United States Patent betrekking heeft op een vinding van een aantal in Canada, voor een Canadees bedrijf. werkzame onderzoekers, onder wie de heer X, blijkt uit het United States Patent. Daarin worden immers als uitvinders een aantal personen uit Canada, onder wie de heer X. en als rechtverkrijgende een Canadees bedrijf genoemd. Afgezien van de vraag of de vinding waarvoor het United States Patent is verleend ook maar iets te maken heeft met de werkzaamheden die de heer X in 1989 voor verzoeker heeft uitgevoerd, voert het te ver om van het College van Bestuur te verlangen dat het een onderzoek instelt naar aanleiding van een vinding die door de heer x is ontwikkeld bij zijn werkgever in Canada.

1.5. Gezien hetgeen hiervoor onder 1.2. tot en met 1.4. is aangegeven, kan niet worden gesteld dat er sprake was van nieuwe feiten en omstandigheden die een nieuw onderzoek rechtvaardigden. Het feit dat verzoeker, naar hij stelt, pas in de zomers van 1993 en 1994 heeft kennisgenomen van de publicatie in Electronics Letters van 24 mei 1990 respectievelijk de octrooiaanvraag van 28 juni 1989 en het op 6 juli 1993 verleende United States Patent doet daaraan niet af. Het College van Bestuur kon dan ook in redelijkheid het verzoek van verzoeker van 25 september 1996 tot het instellen van een nieuw onderzoek afwijzen. De onderzochte gedraging op dit punt is behoorlijk.

2. Ten aanzien van de weigering om een kopie van het FOM-rapport te verstrekken

2.1. Verder klaagt verzoeker erover dat het College van Bestuur zijn verzoek om toezending van een kopie van het rapport van de Stichting voor Fundamenteel Onderzoek der Materie (FOM) van de beoordeling van de subsidieaanvraag van 29 januari 1990 heeft afgewezen.

2.2. Uit de reactie van het College van Bestuur blijkt dat de bezwaren van het College van Bestuur tegen verstrekking van een kopie van het FOM-rapport aan verzoeker niet te maken hebben met de inhoud van het FOM-rapport. Tegen inzage van het rapport door verzoeker heeft het College van Bestuur ook ~een bezwaar. De bezwaren van het College van Bestuur komen veeleer voort uit de ervaringen die het College van Bestuur met verzoeker heeft gehad: de eerder door verzoeker opgevraagde gegevens en de mededelingen van verzoeker op het Internet.

2.3.Het FOM-rapport houdt een beoordeling in van de subsidieaanvraag van 29 januari 1990. Deze aanvraag was nodig om het onderzoek van verzoeker ten behoeve van de ontwikkeling van een geïntegreerde hoekopnemer te kunnen voortzetten, Verzoeker werd in de subsidieaanvraag ook als beoogd onderzoeker genoemd. Gelet op het belang van verzoeker bij de subsidieaanvraag (zijn onderzoek werd na de afwijzing van de subsidieaanvraag niet voortgezet). het feit dat niet door het College van Beroep is gesteld dat de inhoud van het FOM rapport in de weg staat aan kennisname daarvan door verzoeker, terwijl het College van Bestuur he FOM-rapport aan verzoeker ter beschikking had kunnen stellen onder het voorbehoud dat hij dit rapport niet zonder toestemming van de indieners van de subsidie- aanvraag, de heer W en Z, verder zou verspreiden, moet worden geoordeeld dat het College van Bestuur het verzoek van verzoeker om (mee te werken aan) toezending van het FOM-rapport in redelijkheid niet had kunnen afwijzen. Dat verzoeker eerder. in 1990, ook al om informatie had gevraagd (welke verzoeken overigens geen betrekking hadden op het FOM-rapport) en in de toekomst wellicht nog andere informatieverzoeken tot het College van Bestuur zal richten, doet daaraan niet af. Ieder verzoek om informatie dient op zich te worden beoordeeld. De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.

CONCLUSIE : De klacht over de onderzochte gedraging van het College van Bestuur van de Universiteit Twente is niet gegrond ten aanzien van de weigering om een nieuw onderzoek in te stellen en gegrond ten aanzien van de weigering om een kopie van het FOM-rapport te verstrekken.





Betreft : Bezwaar (verzet) tegen de verloop van de nationale ombudsman onderzoek betreffend mijn klacht van 18 december 1996 tegen het college van bestuur van de UT.

Uw nummer:96.07520 016; NO rapport 19 Nov 1997; M.Winkel.

31 December 1997.

Geachte Heer/Mevrouw

Bijgaand treft u aan mijn reactie op het rapport en het oordeel van de substituut-ombudsman van 19 November 1997 betreffend mijn klacht van 18 december 1996 tegen het college van bestuur van de Universiteit Twente :

-De Universiteit Twente heeft onjuist gegevens in dit onderzoek verstrekt. Van de datum van de Amerikaanse octrooi en de vertrek van Aite van de UT (1991), kon de Nationale Ombudsman achterhalen dat de ontwikkeling van de plasma apparatuur in Twente plaats heeft gevonden.

-De formulering van mijn klacht is foutief. Het ging om het instellen van een onderzoek van een wetenschappelijke fraude en geen heronderzoek van een wetenschappelijke fraude op basis van nieuwe gegevens en omstandigheden.

-De Nationale ombudsman heeft in zijn rapport mijn feitelijke en belangrijke argumenten genegeerd. Verder, het

oordeel is op getuigenis van leden van mijn directe tegen partij gebaseerd. Prof.H.Wallinga accepteerde ik niet als een onafhankelijke deskundige in de kwestie voor de simpel reden dat hij de superieur van de heer Aite was.

Prof.Popma de ex-decaan en ex-medewerker van mijn ex-vakgroep is niet bekend als deskundige in de IC-technologie. In zijn onderzoek van de kwestie beperkte hij zich tot het inspecteren van de logboek van de heer Aite.

Ik bestrijd ten zeerste dat tot heden een technische gesprek met Popma over de kwestie heeft plaats gevonden.

Over de volledige details en behandeling van mijn bezwaar vraag ik u mij een termijn te gunnen omdat voor gezondheid redenen acht ik de inschakeling van een raadsman in dit kwestie zeer gewenst.











Betreft : Bezwaar (verzet)/verzoek van herziening tegen de verloop/oordeel van de nationale ombudsman onderzoek betreffend mijn klacht van 18 december 1996 tegen het college van bestuur van de UT.

Uw nummer:96.07520 016; NO rapport 19 Nov 1997; M.Winkel.

18 Mei 1998.

Geachte Heer/Mevrouw

Bijgaand treft u aan mijn reactie op het rapport en het oordeel van de substituut-ombudsman van 19 November 1997 betreffend mijn klacht van 18 december 1996 tegen het college van bestuur van Universiteit Twente :

De formulering van mijn klacht is foutief. Het ging om het instellen van een onderzoek van een wetenschappelijke fraude en geen heronderzoek van een wetenschappelijke fraude op basis van nieuwe gegevens en omstandigheden.

Feitelijk de Nationale ombudsman baseerde zijn oordeel op beweringen van de tegen partij. De UT kan niet aantonen dat mijn klacht destijds onderzocht was.

Op 12 April 1990 heb ik Prof.Wallinga juist en volledig verslag van Aite over zijn bijdrage in mijn onderzoek gevraagd. Het was mijn officiële klacht bij de UT. Een deskundige mening van Dhr.H.V.

Mertens (Zie bijlage) wijst erop dat inderdaad de gevraagde informatie destijds niet verstrekt was, hetgeen wat de universiteit beweerde.

Ik heb U inderdaad op de hoogte gesteld dat een gearrangeerde gesprek met de UT om de kwestie te bespreken en uit de problemen te komen heeft niet plaats gevonden. De nationale ombudsman citeerde Prof.Popma, ex-decaan van de faculteit om aan te tonen dat mijn klacht destijds onderzocht was. Ik bevestig nogmaals, dat ik heb nooit een technische gesprek of gegevens uitwisseling over de kwestie met Popma gehad. Verder Prof. Popma en Prof.Fluitman zijn niet als deskundig in CMOS-technologie bekend om mijn klacht te beoordelen. Mijn verzoek van getuige verklaring betreffend deskundige optreden is helaas nog niet door deze heren gehonoreerd.

Prof.H.Wallinga accepteerde ik niet als een onafhankelijke deskundige in de kwestie voor de simpel reden dat hij de superieur van de heer Aite was.

De Universiteit Twente heeft onjuist gegevens in dit onderzoek verstrekt. Van de datum van vertrek van Dr.Aite naar Canada (Jan-Feb 1991) en de datum van zijn aanvraag van de Amerikaanse octrooi (Mei 1991), kon de Nationale Ombudsman achterhalen dat de ontwikkeling van de plasma apparatuur in Twente plaats heeft gevonden. Het is onmogelijk in drie maanden tijd van Nederland naar Canada te verhuizen, een Plasma apparatuur te ontwerpen, en over een Amerikaanse octrooi aan te vragen. Deze feiten wijzen aan, tegen de bewering van de UT, dat dit onderzoek omtrent de Plasma apparatuur in Twente heeft plaats gevonden. Overigens, gedurende een gesprek met Prof.Wallinga, Prof.Fluitman, en Holleman (December 1989), bevestigde Dr.Aite dat hij bezig was met een ontwikkeling (een idee van zijn superieur Midelhoek) van een nieuwe Plasma apparatuur. Een argument om aan te tonen dat hij niet met nitridatie onderzoek bezig was.











Betreft : Mijn klacht van 18 december tegen het college van bestuur van de Universiteit Twente betreffend een wetenschappelijke fraude dat heeft zich voorgedaan bij de faculteit Elektrotechniek.

Uw nummer:96.07520 002.

Uw schrijven :27 Maart 1997.

01 April 1997.

Geachte Heer/Mevrouw,

In de periode november 1990 - januari 1991 heeft mij ex-raadsman mr.Muurmans de kwestie

behandeld. Hij heeft destijds bij het college van bestuur de experimentele gegevens betreffend de behandelingen van mijn preparaten door de medewerkers van de vakgroep ICE van faculteitselektrotechniek en een kopie van de publikatie van dhr Aite van december 1989 gevraagd (doc.a). De UT heeft destijds alleen een kopie van een oudere publikatie van 1988 verstrekt (doc.b). Het niet beschikbaar stellen van de gevraagde gegevens zou in principe leiden tot een onderzoek van de kwestie door een onafhankelijke commissie van deskundigen. Het was het geval niet. Ik bestrijd ten zeerste de UT stelling dat indertijd sprake is geweest van een onderzoek van mijn klacht, de reactie van Pr.Wallinga is duidelijk

(doc.c), en een raadpleging van de tegenpartij (doc.g), kan men niet als een onderzoek van een ernstige zaak kwalificeren. Het heeft later (1993-1994) wat tijd en moeite gekost om de relevante gegevens van de kwestie te kunnen raadplegen. In de periode 1993-1994 kwam ik tegen een publikatie, twee octrooiaanvragen, ee een amerikaanse octrooi omtrent een NH3 plasma behandeling en een depositie apparatuur (doc.d).

Op dit moment kreeg de kwestie de vorm van een wetenschappelijke fraude. Het was ook een bewijs dat de UT informatie achtergehouden heeft.

IK had kort daarna andere advocaten benaderd om de kwestie juridisch te oplossen, maar bleek, althans voor mij, dat de UT te invloedrijk is om juridisch tegen te kunnen procederen.

Omdat er geen nederlandse deskundige bereid was om mij te bijstaan, vroeg ik aan de FOM de wetenschappelijke beoordeling rapport van mijn wetenschappelijke werkzaamheden. De directeur van de FOM heeft mij om een klacht bij het college van bestuur te indienen geadviseerd. Ondanks de nieuwe vinding (de bovengenoemde publikaties van de tegen partij) heeft de voorzitter van het college van bestuur mijn verzoek afgewezen.

Wat betreft mijn klacht over het niet verlenen van inzage in de wetenschappelijke beoordeling van de subsidieaanvraag het volgende :

Het was een misleiding van mij ex-chefs, Pr.Fluitman en Pr.Wallinga, tevens superieur van de verdachte collega, om subsidie voor een follow-up van mijn onderzoek te vragen. De vacature van mijn opdracht was een globale beschrijving van wetenschappelijke vraagstellingen (doc.e), maar de subsidie aanvraag door de ex-chefs was op mij naam en op de foutieve resultaten van mijn eerste jaar onderzoek gebaseerd (kopie van de aanvraag doc.e). De gemeten passivatie verschijnsel werd ten onrecht met de bescherming laag SiON eigenschappen geassocieerd. Op zich een ontkenning dat er een NH3 behandeling van mijn preparaten plaats heeft gevonden.







Betreft : Bezwaar (verzet)/verzoek van herziening tegen de verloop/oordeel van de nationale ombudsman onderzoek betreffend mijn klacht van 18 december 1996 tegen het college van bestuur van de UT.

Uw nummer:96.07520 016; NO rapport 19 Nov 1997;

M.Winkel, uw schrijven van 28 Mei.

09 Juni 1998.

Geachte Heer/Mevrouw

Bijgaand treft u aan mijn reactie op het schrijven van de substituut-ombudsman van 28 Mei 1998.

Het feit dat een Amerikaanse patent op naam van de heer Aite en een Canadese bedrijf is aangevraagd zegt weinig waar de daadwerkelijke ontwikkeling heeft plaats gevonden. In December 1989, was ik op de hoogte van de ontwikkeling van de plasma apparatuur van de heer Aite in Twente. Verder, de handel in de technologie kennis is niet een nieuwe facet van fraude in Nederland.

Een voorstel om uit dit impasse te komen is de aanvraag van getuige verklaring door de nationale Ombudsman van de hoogleraren van de UT die beweren dat ze mijn klacht onderzocht hebben. Er heerst wat onduidelijkheid over wie dit onderzoek verricht heeft, wat voor vragen waren onderzocht en wat voor conclusies bereikt waren.

U begrijpt neem ik aan dat het oordeel van de nationale ombudsman kan mijn juridische zaak tegen de UT beschadigen, daardoor acht ik nog steeds een herziening zeer gewenst. Ik stel u aansprakelijk over alle schade die u zou mij onrechtmatig door uw optreden hebben berokkend

.

Terugkeren (back to) naar Inhoudsopgave (home page)