Van: Dr.B.Elmrabat

t.a.v de heer Prof.Dr.H.Wallinga.

Betreft: Samenwerking Dr.B.Elmrabat en Dr.K.Aite in de integratie van SION passivatie laag in het hoekopnemer-THT CHOS proces.

12 April 1990.

Geachte heer Wallinga,

Naar aanleiding van ons gesprek op 11 april het volgende: De procescondities van SION die ik heb gekregen van Dr.K.Aite zijn anders dan die naar Prof.Dr.J.H.J.Fluitman zijn gestuurd ( Zie bijlage ).

Verder, mis ik de oxidatie condities van de eerste en derde run van het experiment "Integratie van SiON passivatie laag in het hoekopnemer-CMOS Proces" waarin Dr.K.Aite verantwoordelijk voor Oxidatie en SiON depositie was. De plakken van de drie runs waren gekarakteriseerd en een verslag van die resultaten was naar Dr.K.Aite gestuurd.

Met deze brief vraag ik een juist en volledig verslag van Dr.K.Aite over zijn bijdrage in de bovengenoemde samenwerking.

Hopende u hiermee voldoende te hebben geinformeerd, teken ik,







Aan: Dr. B. Elm'Rabat

Van: H. Wallinga

Ref. brief dd. 12 april 1990 van Elm'Rabat aan Wallinga oxidatie condities le en 3e run

Beste Ben,

In antwoord op je brief van 12 april j.l. het volgende.

Onze afspraak was dat je zou aangeven welke gegevens je nodig zou hebben m.b.t. de door Aite behandelde plakken.

D.w.z. geef aan van welke plak(ken) je welke gegevens nodig hebt om je onderzoek met een rapport af te ronden. Alleen met die concrete en gerichte vragen kan ik uit de voeten.

Ook wil ik nogmaals benadrukken dat er geen samenwerkingsprojekt tussen jou en Alte gedefinieerd is. Wel is er sprake geweest van het uitvoeren van oxidatie en nitride stappen door Aite. Het valt achteraf te betreuren dat er geen duidelijker afspraken zijn gemaakt maar daar valt nu niets meer aan te doen.

In de bijlage km. vind je de oxidatie condities waaronder de eerste en derde run voor jou geoxideerd zijn. Wil je bijgaande bevestiging voor ontvangst van de gegevens ondertekenen en retourneren?

Ik neem aan dat nu alle gewenste gegevens bij jou bekend zijn. Er volgt geen verdere verslaggeving van Aite. Het betreft het uitvoeren van routine receptuur en het is niet gebruikelijk dat over deze werkzaamheden verder gerapporteerd wordt.





7 mei 1990.

Aan: Fac.directeur El

Van: J.Fluitman.

Betreft: Functineren Dr.Elmrabat.

Als chef van Dr.Elmrabat en in overeenstemming met prof. Wallinga wil ik bij deze melding doen van een zorgelijke situatie rondom het functioneren van Dr.Elm'Rabat. Reeds eerder is het conflict aan de orde geweest, dat is gerezen tussen Dr.Elm'rabat en Dr.Aite. Dit conflict is gerezen als gevolg van een door beide heren opgezette samenwerking, die qua aard echter door beiden volledig verschillend wordt geïnterpreteerd (daarover straks). Binnen deze Samenwerking zijn door Dr.Aite een aantal preparaten geproduceerd, die vervolgens door Dr.Elm'rabat uitvoerig zijn geanalyseerd. De resultaten van deze analyse zijn bekend bij Dr.Aite, maar de essentiele productiecondities van de genoemde preparaten worden volgens Dr. Elm'rabat door Dr.Alte achtergehouden. Zijn conclusie is dat de productiegegevens en de analyseresultaten nu bij Dr.Aite bekend zijn, terwijl hijzelf niet over de juiste productiegegevens beschikt Dat betekent, dat hij geen goede basis heeft om zijn arbeid in een of meer publicaties om te zetten. Dit conflict is uitvoerig doorgesproken met alle betrokkenen. Daarbij is naar voren gekomen dat Dr.Elm'rabat's interpretatie van de opgezette samenwerking de verplichting inhoudt tot uitwisseling van gegevens en gemeenschappelijke publicatie. Dr.Aite echter meent dat de samenwerking eerder een dienstverlening van zijn kant was, een dienstverlening die bestond uit het leveren van de preparaten, waap Dr.Elm'rabat dan verder mee zou kunnen werken. Dr.Elm'rabat meent uit zijn analyses te kunnen afleiden, dat de productiegegevens die door Dr.Aite aan hem zijn verstrekt onjuist zijn. Door ons (met "ons" bedoel Ik Wallinga en ondergetekende) is bij herhaling gevraagd aan Dr.Aite of er andere, of aanvullende gegevens zijn. Die zijn er volgens hem niet. Daarnaast kan niet worden uitgesloten dat de opvallende analyseresultaten het gevolg zijn van statistische fluctuaties. Dit soort afwijkingen zijn volgens de experts van ICE kenmerkend voor de technologie.

Bij Dr.Elm'rabat bestaat het gevoel dat hij bedrogen wordt, waardoor hij tevens niet in staat is zijn arbeid In publiceerbaar materiaal om te zetten. Rond Kerstmis 1989 is deze situatie enigszins geëscaleerd, maar daarna is in enige gespreksrondes de rust hersteld. Er is overeengekomen om de zaak te laten rusten en voort te gaan op basis van gegevens, voor zover die beschikbaar waren. De rust blijkt echter niet hersteld. Dr.Elm'rabat meent steeds over nieuw materiaal te beschikken, waardoor zijn vermoedens van bedrog en/of tegenwerking worden bevestigd. Afgelopen vrijdag heeft hij mij medegedeeld dat hij 'er werk van zou maken". Op welke wijze hij dat zou doen werd mij niet duidelijk, maar ik meende dat hij zijn toevlucht wilde zoeken bij een instantie die deze zaak tot op de bodem zou kunnen uitzoeken. Ik kon hem daarbij niet van advies dienen. Het enige, dat ik kon opperen, is dat hij zich (opnieuw) tot de faculteitsdekaan zou wenden.

Ik ben ervan overtuigd, dat hij door deze zaak erg geschokt is en dat dat zijn functioneren sterk beinvloedt. Aan de andere kant is het voor ons niet meer duidelijk wat wij aan deze situatie kunnen doen. Er is geen overtuigende reden het wantrouwen van Dr.Elm'rabat te delen, logische motieven ziji daarvoor niet aanwezig en de wijze van gegevensverstrekking van Dr.Aite is basis van zijn idee van de samenwerking, is niet op voorhand verdacht.

Het is natuurlijk niet uit te sluiten , dat personen elkaar bedriegen, maar door ons is geen materiaal bij aan te dragen dat ander licht brengt in deze situatie... Wij houden dat er op dat er geen bedrog in het spel is, hetgeen door Dr.Elm'rabat uiteraard wordt betwist.

Deze zaak heeft natuurlijk gevolgen voor de vertrouwensrelaties. Wij weten niet meer of wij nog als objectieve leidslieden worden gezien voor en door Dr.E1m'rabat. Die situaie kan ons inziens leiden tot een zorgwekkend isolement, Dat is de reden waarom wij u hiervan in kennis stellen. Voor de goede orde zij er op gewezen, dat Dr.Elm'rabat een goede onderzoeker is die met zeer grote inzet zijn taak uitvoert. Of hij bij zijn werk door zichzelf of door een ander wordt geblokkeerd is niet uit te maken. Onze inschatting is in het bovenstaande weergegeven.



Van: Elmrabat.

Aan: Fac.directeur El.

26 Juni 1990.

Naar aanleiding van ons gesprek wil ik graag reageren op de brief van Prof. Dr. J. Fluitman aan U dd. 7-5-1990 en de daarin omschreven "zorgelijke situatie".

Het gaat hier over een pseudo-conflict dat echt niet hoeft te bestaan als mijn chefs op basis van hun deskundigheid mijn argumenten van augustus 1989 serieus hadden genomen. Mijn chefs zijn m.i. te ver gegaan, toen ze mijn samenwerking met de Heer K. Aïte ontkenden. Zij waren steeds op de hoogte gebracht van het verloop, de resultaten en de afspraken rondom de mogelijke publikaties. De bijdrage van K. Aite was kwantitatief te belangrijk om te beweren dat er slechts sprake zou zijn van een dienstverlening.

In de bijlage vindt U mijn laatste correspondentie met Prof. H. Wallinga. De aanleiding tot deze correspondentie werd gevormd door de resultaten van mijn laatste experiment (januari-april 1990) en door mijn conclusie dat de Heer Aite een nitridatie stap heeft gebruikt. Mijn laatste Auger analysen laten zien dat het hier om precies te zijn, gaat om een plasma nitridatie bij lage temperatuur, mogelijk in een NH3 gas in aanwezigheid van Fluor. Erger is, dat deze analysen laten zien dat K. Aite een dubbele laag SiO2-SiON gebruikt heeft in plaats van het normale SiO2 van het CMOS-proces. Deze structuur is nauwelijks bekend en die had ik eerder onderzocht gedurende mijn verblijf in de Nat-Lab. Helaas weet ik niet hoe de Heer Aite aan deze gegevens gekomen is. Ik weet ook niet of het hier gaat om belangrijke bedrijfsgegevens. Ik ben er erg van geschrokken, dat ik op deze wijze door de Heer Aite ben bedrogen. Ik vind dat ik, gezien de aard van mijn opdracht en de daarvoor beschikbare middelen en tijd deze behandeling niet heb verdiend. Ik ben het in elk geval niet eens met Uw conclusie, dat mijn verblijf in Uw faculteit een verlies voor Uw organisatie zou zijn. De redenen hiervoor zijn de volgende:

-De Universiteit heeft mij een in alle opzichten foutieve opdracht gegeven. Mijn taak werd daardoor beperkt tot redden en publiceren.

-Rond april besloot ik mijn tweede publikatie te schrijven, maar wegens bovengenoemd conflict en de gevolgen daarvan -ziekte mei-juni. jl.- is deze nog niet klaar. Mijn derde publikatie is pas mogelijk, nadat ik de experimentele gegevens van K. Aite heb gekregen.

- Enige publikaties en een oktrooi van mijn collega's op basis van mijn ideeën en arbeid zijn al gepubliceerd.

- Mijn opdracht had geen budget om in een onderzoek instelling normaal te kunnen functioneren. Ondanks alle inspanningen kon ik gedurende twee jaren geen reis maken of een computer voor mijn werkzaamheden aanschaffen.

Gezien deze omstandigheden en de bereikte resultaten vind ik dat er hier geen sprake is van een verlies of mislukking. Eigenlijk is er sprake geweest van functie misbruik.

Mijn vraag aan de Universiteit beperkt zich tot het verkrijgen van een juist en volledig verslag van de Heer K. Aite over zijn bijdrage in de bovengenoemde samenwerking. Dit is nodig om de resultaten van mijn onderzoek gedurende 2 jaren te kunnen publiceren. Om duidelijk te zijn, het verkregen verslag van K. Aite betreft slechts een bekend proces en is echt niet bruikbaar voor mijn opdracht of publiceerbaar in de vorm van een octrooi. De bereikte resultaten van dit experiment hebben echt niets te maken met nitridatie stappen en zijn het resultaat van een secondair detail.

In de bijlage vindt U karakterisatie resultaten van MOS structuren (run 1 en run 3). De Auger analysen zal ik naar de faculteitsdecaan sturen.





Betreft: Reactie op brief van Dr.Elm'Rabat.

Kenmerk: 70.3679/Fmn

Datum: 6 Juli 1990

Aan: Faculteitsdirecteur El

Van: J.Fluitman.



Graag geef ik u bij deze commentaar op de brief van Dr.Elm'Rabat aan de faculteitsdirectie El, waarvan u mij een copie stuurde.

Dr.Elm'Rabat reageert o.a. op een brief mijnerzijds aan u (070.3572 dd 7-5-1990) en de daarin omschreven "zorgelijke situatie. Hij doet dit af als de melding van een pseudo-conflict' waarvoor zijn chefs verantwoordelijk worden gesteld. Ik interpreteer dat in de zin "dat zijn chefs er een conflict van hebben gemaakt". Anders begrijp ik het voorvoegsel "pseudo" niet.

Deze interpretatie is onjuist. Twee postdocs Dr.Elm'Rabat en Dr.Aite hebben bij hun werk afspraken gemaakt. Dat is een normale gang van zaken. Zulke afspraken hebben de status van een gentlemen's agreement tussen lieden met een eigen verantwoordelijkheid. Postdocs worden niet op de hielen gezeten door begeleiders. Zij zijn ingehuurd voor een taak, die zij zelfstandig vorm moeten geven. Het komt zelden voor dat afspraken tussen onderzoekers binnen één kring op formele wijze worden vastgelegd. Als zij zoiets zouden willen, dan moeten zij daar melding van maken.

Dat er afspraken tussen genoemde postdocs zijn gemaakt is terloops gemeld in de periode dat er nog geen sprake was van een conflict. Wij hebben daar kennis van genomen (van Elm'Rabat), zoals wij kennis nemen van zoveel afspraken, samenwerkingsvormen, etc. Het hangt dan van de onderzoekers in kwestie af of wij, als chefs daar dieper op ingaan. Afspraken tussen promovendi behoeven eerder een begeleiding, dan die tussen postdocs. En als er geen onraad wordt bespeurd is er geen reden om de zaken te formaliseren. Dat zou het onderzoekklimaat bepaald niet ten goede komen.

Wij hebben de samenwerking tussen Dr.Elm'Rabat en Dr.Aite niet ontkend, maar wij zijn er achter gekomen, dat beide heren over die samenwerking een verschil van opvatting hadden.

Er moet overigens vermeld worden, dat de opmerkingen van Dr.Elm'Rabat over de samenwerking destijds zeer summier waren. Als wij er op aandrongen om ons eerder en beter in te lichten was hij het die zei:

"Daar wil ik jullie niet mee lastig vallen." Laat niet de indruk ontstaan dat wij geen oor hebben gehad voor de klachten van Dr.Elm'Rabat, maar die zijn pas in het stadium van de escalatie van het probleem goed naar voren gebracht.

Een ander punt dat vermeld moet worden is dat de communicatie met Dr.Elm'Rabat niet makkelijk is. Dat is bedoeld in puur technische zin. Wij moesten ons steeds heel goed concentreren om te achterhalen, wat hij nu precies bedoelde als hij iets naar voren bracht.

Ik begrijp niet waar Dr.Elm'Rabat op doelt als hij zegt:"Ik ben het in elk geval niet eens met Uw conclusie, dat mijn verblijf in Uw faculteit een verlies voor Uw organisatie zou zijn". Wij hebben zoiets niet geopperd.

Waar hij concludeert dat de Universiteit een in alle opzichten foute opdracht heeft gegeven, moet ik constateren dat dit onzin is. De opdracht die hij kreeg was duidelijk en goed interpreteerbaar. Daar is ook geen misverstand over geweest. We hebben zelfs een follow-up geprogrammeerd in een STW-aanvraag, die door Elm'Rabat zou worden uitgevoerd. Dat was met zijn instemming. Dat valt erg moeilijk te rijmen met zijn klagelijke uiting over "redden en publiceren". Hij vergeet, dat hij in de begin tijd met plezier bij ons heeft gewerkt en ziet nu alles door een zeer donkere bril. Waar de uitspraak "Enige publicaties en een oktrooi zijn al gepubliceerd" (p.2) op slaat, is mij volkomen onduidelijk.

De opmerking over het budget is misplaatst, maar kan worden begrepen uit een eventuele communicatiestoring aan het begin van de rit. Maar eerder lijkt het er op dat Dr.Elm'Rabat zich misdeeld voelde als hij zag hoe promovendi uit de tweede geldstroom over gespecificeerde onderzoekbudgetten konden beschikken, waar hij als postdoc slechts uit de interne eerste geldstroom zijn deel kon krijgen. De opmerking over de reis is regelrecht geklets. Hij heeft een dergelijke reis nooit aangevraagd en wij zijn er op gekomen om hem naar Eurosensors in Karlsruhe te laten gaan, maar onze inzending werd niet geaccepteerd. Er is geen sprake van een verlies of mislukking. Er is sprake van een uit de hand gelopen conflict, waarvan de contouren niet zo duidelijk meer zijn. Van functiemisbruik is absoluut geen sprake. De vraag met betrekking tot het verslag van de bijdrage van Dr.Aite aan de samenwerking kan door u opnieuw aan de orde worden gebracht. Ik denk dat de faculteit op deze vraag moet ingaan, maar ik verwacht dat het antwoord niets zal opleveren, dat tot op heden niet bekend was. Dat zou mij hogelijk verbazen.



Van: Fac.Directeur El.

Aan: Elmrabat

doorkiesnr. 89 2686

Brief dd 26-6-90

uw kenmerk ons kenmerk 052.782/90/Frn/Vrs



Geachte heer Elm' Rabat,

datum: 13-08-90





Ten gevolge van de vakantieperiode heeft de beantwoording van uw brief langer op zich laten wachten dan ik wenselijk acht, waarvoor mijn welgemeende excuses. Naar aanleiding van uw brief heb ik een gesprek gehad met prof. Fluitman en prof. Popma om mij nogmaals een duidelijk beeld te laten schetsen van hun visie op uw verblijf en aktiviteiten bij de faculteit Elektrotechniek. Naar aanleiding van deze gesprekken is mij het volgende duidelijk geworden.

M.b.t. vermeend functie misbruik De door u aangehaalde conclusie dat "mijn verblijf in Uw faculteit een verlies voor Uw organisatie zou zijn" is geen uitspraak die dezerzijds is gedaan of zelfs dezerzijds leeft. Volgens uw chef, prof. Fluitman, heeft u een duidelijke opdracht gekregen en is er zelfs een follow-up geprogrammeerd in de vorm van een STW-aanvraag. Uw uitspraak "Enige publicaties en een oktrooi zijn al gepubliceerd" zou u nader moeten concretiseren alvorens *k de juistheid ervan kan toetsen. Uw begeleiders kunnen mij in ieder geval niet zeggen welke publicaties en welk oktrooi van welke collega u voor ogen heeft. Het u ter beschikking gestelde budget om uw onderzoek uit te kunnen voeren is het gangbare budget dat iedere eerste geldstroom medewerker ter beschikking heeft. Het is ons bekend dat dit geen royaal budget is, hetgeen u bij uw in dienst treden ook nimmer is toegezegd. Indien u geconstateerd heeft dat collega onderzoekers over een ruimer budget beschikten, dan zijn dit medewerkers gefinancierd door tweede of derde geldstroom geldgevers geweest, die beschikken over geoormerkte onder-zoeksbudgetten. M.b.t. uw mogelijkheden voor het maken van reizen is mij meegedeeld dat u nooit een reisaanvraag hebt ingediend en dat een reis op initiatief van de vakgroep naar Eurosensors in Karlsruhe niet door is gegaan omdat de inzending niet werd geaccepteerd.

Mijn conclusie is dat er geen sprake is geweest van functiemisbruik, maar dat u heeft kunnen werken als iedere andere eerste geldstroom Medewerker onderzoek. Dat het resultaat van uw verblijf aan onze faculteit voor zowel u als ons teleurstellend is geweest lijkt te zijn gelegen in voor mij niet direct duidelijke oorzaken buiten de directe wetenschappelijke sfeer.

M.b.t. verslaglepping Aite Volgens mijn informatie heeft u de beschikking gekregen over alle informatie die ter beschikking is. Dit is bevestigd door zowel de begeleider van dr. Aite, prof. H. Wallinga, als door uw begeleider, prof. J. Fluitman. Ook de faculteitsdekaan, prof. Popma, bevestigt dit. U zult begrijpen dat ik in deze vakinhoudelijke zaak op het onpartijdige oordeel van de drie genoemde hoogleraren vertrouw. Ik heb geen enkele reden aan te nemen dat dr. Aite ten uwen nadele "in bescherming" zou worden genomen. Mijn conclusie hierbij is derhalve dat u vraagt om informatie die niet beschikbaar is.

Ik kan mij indenken dat bovenstaande voor u nog aanleiding is om een nader gesprek over deze zaak met mij te hebben. U bent hiertoe van harte uitgenodigd en kunt zich tot mijn secretaresse wenden voor het maken van een afspraak. Inmiddels wens ik u een voorspoedig herstel van uw ziekte toe en hoop dat u alsnog uw tweede publikatie zult kunnen afronden.

Uw kenmerk Ons kenmerk 197. 344/P&O

Doorkiesnr. 89 8012

Datum: 8 februari 1991

Onderwerp: dr. B. Elm'Rabat.

Van: mr.M. van Doorn, gemachtigde.

Aan: mr.Muurmans.(advovaat van Elmrabat).



In aansluiting op uw brieven van 30 november 1990, 17 december 1990 en 11 januari 1991 en ter bevestiging van de telefonische contacten in december 1990 en januari 1991, deel ik u namens het College van Bestuur het volgende mede. Met ingang van 1 juli 1988 werd uw cliënt een tijdelijk dienstverband als medewerker onderzoek aangeboden tot 1 juli 1990. Hij werd belast met het onderzoek t.b.v. het ontwikkelen van een geïntegreerde hoekop-nemer bij de Faculteit der Electrotechniek, vakgroep Transductietechniek en Materiaalkunde (TDM).

Voor afloop van zijn dienstverband werd betrokkene arbeidsongeschikt en is dat tot op heden. Op basis van zijn rechtspositie vindt doorbetaling van salaris plaats. In verband met de langdurige arbeidsongeschiktheid van betrokkene heeft het college de bedrijfsarts inmiddels verzocht om een medisch onderzoek in te stellen.

De arbeidsongeschiktheid van uw cliënt is in hoofdzaak terug te voeren op een meningsverschil terzake van verstrekte gegevens door een collega van betrokkene te weten dr. K. Aite die overigens niet meer bij de universiteit werkzaam is.

Kort gezegd komt het er neer dat uw cliënt meent dat hij nog niet alle gegevens dan wel onjuiste gegevens heeft ontvangen. Uit de ook in uw bezit zijnde correspondentie blijkt dat alle gegevens die beschikbaar waren, beschikbaar zijn gesteld. In die zin onderschrijft het college de brief van de faculteitsdirecteur d.d. 13 augustus 1990.

In uw brief van 11 januari j.l verzoekt u om schriftelijk aan te geven waarom uw cliënt niet de volledige en juiste gegevens zijn verstrekt. Het antwoord is simpel: alle gegevens zijn verstrekt, meer gegevens zijn niet voorhanden. Overigens zijn de gevraagde gegevens meerdere malen verstrekt.

Telefonisch liet ik u reeds weten dat het n.m.m. aanbeveling verdient een gesprek te arrangeren om te bezien of er mogelijkheden zijn om uit de ontstane impasse te geraken. Enige namen werden reeds genoemd. Het verheugd mij dat betrokkene in overleg met u thans een voorstel heeft voor zulk een gesprek. Van onze zijde zouden aanwezig kunnen zijn Prof.dr. Th.J.A. Popma en ondergetekende.

Tenslotte treft u bijgaand afschrift aan van de door uw cliënt gevraagde en los van deze zaak staande publicatie.

Van Prof.Wallinga,

Aan Faculteitsdirecteur El,

03 oktober 1996.

Betreft: Melding wetenschapelijke fraude door Dr.B.Elmrabat.

In voorgaande brieven heb ik u reeds gemeld dat ik geen archiefstukken omtrent deze affaire in mijn bezit heb.

Bij mijn beste weten zijn de destijds door de heer Elmrabat geuite klachten door prof.Fluitman, Prof.Popma en mijzelf gehoord, bestudeerd en ongegrond gebleken.

Bij het aanhouden van de brievenstroom lijkt mij de enidge mogelijke reactie om de heer Elmrabat mee te delen dat de discussie gesloten is. Hem rest de mogelijkheid om via de juridische stappen de vermeende fraude te laten onderzoen.



Van Prof.Wallinga,

Aan Faculteitsdirecteur El,

09 Mei 1996.

In zijn brief d.d 23 april vraagt de heer B.Elmrabat inzage......

CUT

Ik verwacht dat met deze mededeling de briefwisseling met de heer Elmrabat als afgedaan kan worden beschouwd.















Terugkeren (back to) naar Inhoudsopgave (home page)